Coccidiose: Lessen voor de rundveehouder vanuit de pluimveehouderij

Coccidiose is een aandoening die bij verschillende diersoorten voorkomt en veroorzaakt wordt door een eencellige parasiet. Ook runderen worden erdoor getroffen.

Door de redactiecommissie van vakblad Veehouder en Veearts.

De coccidiose-parasiet behoort tot de familie van de Eimeria’s, maar elke diersoort heeft zijn eigen Eimeria-soort. We spreken hier over een soortspecifieke parasiet met een hoge graad van gastheerspecificiteit. Er komen bij de verschillende diersoorten vele soorten Eimeria’s voor die echter niet allemaal kwaadaardig zijn. Van de twaalf bekende Eimeria-soorten bij het rund worden de kwaadaardige soorten (Eimeria bovis, E. zuernii, E. alabamensis en E. auburnensis) alleen bij runderen, inclusief waterbuffels, aangetroffen, en de kwaadaardige soorten die wereldwijd bij lammeren (Eimeria  crandallis, E. bakuensis, E. ahsata en E. ovina) worden aangetroffen, komen alleen voor bij schapen. De kwaadaardige typen bij geitenlammeren (Eimeria  arloingi, E. christenseni, E. caprinav en E. ninakohlyaki­movae) komen alleen bij geiten voor. Alleen Eimeria ovinoidalis kan bij zowel schapen als geiten voorkomen.

Besmetting

De verspreiding van coccidiose vindt plaats via een coccidiose-ei: een zogeheten oöcyst. Na opname van zo’n oöcyst zal de parasiet vanuit het ei vrijkomen na de inwerking van darmenzymen. Vervolgens vermeerdert de parasiet zich in de darmslijmvliescellen. Een eenmaal geïnfecteerd dier zal tienduizenden tot honderdduizenden eieren per gram mest uitscheiden. Hierdoor raakt de omgeving ernstig besmet. Een coccidiose-infectie in een dier is een zelflimiterende infectie, wat betekent dat de infectie vanzelf uit het lichaam verdwijnt. Een dier zal over het algemeen meerdere keren besmet raken en daardoor uiteindelijk voldoende weerstand opbouwen, waardoor herinfecties in een later stadium leiden tot subklinische infecties die geen schade meer veroorzaken. Dit betekent echter niet dat deze herinfecties niet plaatsvinden. Gedurende het hele leven van de koe, de geit of het schaap zullen herinfecties plaatsvinden en zal dus ook uitscheiding van oöcysten plaatsvinden. De afwezigheid van ziekteverschijnselen geeft dus niet aan dat een dier niet geïnfecteerd is. Dieren met een verminderde weerstand, bijvoorbeeld door andere ziekten maar vooral ook door stress, zullen meer oöcysten gaan uitscheiden. Externe factoren bepalen voor een groot deel de ernst van de aandoening en de uitscheidingsgraad.

Schade

De ernst van de klinische verschijnselen is afhankelijk van de locatie in de darmwand waar de parasiet zich vermeerdert; dit is per Eimeria-soort bepaald. Hoe dieper in de wand en hoe meer vermeerderingen plaatsvinden, hoe duidelijker de klinische verschijnselen. Een infectie met een parasiet is heel wat anders dan een infectie met een bacterie of een virus. Om een bacteriële of virale ziekte op te wekken moet een dier geïnfecteerd worden met een minimale hoeveelheid bacteriën of virussen. Voor een coccidiose-infectie is één oöcyst voldoende en deze ene oöcyst kan bijvoorbeeld in het kalf tot 23 miljoen nieuwe oöcysten maken.

Per diersoort verschillend

Kalveren en lammeren hebben een ver­gelijkbaar patroon van infectie. Na de geboorte is de omgeving geïnfecteerd door oöcysten afkomstig van de moeder. De verandering van omgeving (afkalfboxen) en geboortestress spelen hierbij een belang­rijke rol. Afhankelijk van het hygiënemanagement worden de dieren op jonge leeftijd met meer of minder oöcysten geïnfecteerd. Verdere verspreiding vindt plaats via geïnfecteerde kalveren of lammeren en is weer sterk afhankelijk van de infectiedruk (veel dieren op een beperkte ruimte) en stress. Afweerstoffen tegen coccidiose worden­ via de biest van de koe naar het kalf overgegeven. Dus ook voor een vroege coccidiosebescherming is een snelle en voldoende gift van biest van belang, maar men dient zich te realiseren dat deze maternale afweerstoffen niet beschermen tegen een ernstige infectie.

Lessen uit andere sectoren

In de pluimveehouderij is het bekend dat oöcysten makkelijk worden meegenomen aan de onderkant van schoeisel. Bij onderzoek van zand van de looppaden buiten pluimveestallen kunnen regelmatig mil­joenen oöcysten worden aangetroffen; dit zal bij de andere diersoorten waarschijnlijk niet anders zijn. Regelmatige behandeling van deze paden met een ammoniakoplossing is daarom noodzakelijk. Het volledig isoleren van jonge dieren van de oudere soortgenoten en het gebruik van aparte kleding en vooral schoeisel bij de verzorging is in zowel de pluimveehouderij als de varkenshouderij een normale gang van zaken, die in de rundvee-, schapen- en geiten­houderij eigenlijk overgenomen dienen­ te worden. Contact met mest van dieren van een andere leeftijd leidt altijd tot een verhoogd risico van infectie.

Binnen de pluimveehouderij heeft men al decennia zeer veel ervaring met coccidiose. De preventie is gebaseerd op vaccinaties en het onder controle houden van infecties. Hierbij is het van belang dat het dier niet op een zeer jonge leeftijd wordt bloot­gesteld aan grote hoeveelheden oöcysten. Door desinfectiemaatregelen probeert men het aantal oöcysten in de ruimte te verlagen voordat er nieuwe dieren in komen. Een lage infectiedruk leidt tot een latere infectie met coccidiose en bovendien de opname van een kleine hoeveelheid oöcysten waardoor het immuunsysteem kan beginnen met het maken van afweerstoffen tegen deze parasiet. In één keer een infectie met grote hoeveelheden leidt direct tot ziekteverschijnselen.

Desinfectie hokken met juiste middel

Men moet zich realiseren dat de reguliere desinfectiemiddelen, zoals aldehyden (glutaar­aldehyde en formaline), quaternaire ammoniumverbindingen en chloor­producten (chloorbleekloog) niet werken tegen oöcysten. De coccidiose-eieren worden­ niet geïnactiveerd en blijven infectieus. Wanneer men coccidioseproblemen heeft, moet naast het gebruik van de reguliere desinfectiemiddelen om de bacteriële en virale pathogenen te inactiveren, een aparte coccidiosedesinfectie uitgevoerd worden. Het beste resultaat wordt nog altijd behaald met ammoniak. Het sprayen met de rugspuit van een 10 procent-ammoniakoplossing ‘doodt’ de oöcysten. Het vernevelen van ammoniak heeft echter geen effect. Ook oxiderende producten, zoals waterstofperoxide, creoline en fenolverbindingen werken tegen oöcysten, maar de actieve stof-concentraties moeten meer dan 10 procent bedragen. Bij hogere temperaturen werken deze middelen beter. Gebruik bij het bestrijden van coccidiose met desinfectiemiddelen altijd persoonlijke beschermingsmiddelen. De concentraties zijn zo hoog dat aan het gebruik gezondheidsrisico’s kleven. Het gebruik van een gasmasker en huidbedekkende kleding is een must. Vaak zijn de middelen echter niet geregistreerd voor de bestrijding van oöcysten of is de registratiedosering te laag voor de toepassing in de praktijk.

Stof grote boosdoener

Het is de ervaring vanuit de pluimveehouderij dat stof miljoenen oöcysten kunnen bevatten. Maak ruimten daarom, voorafgaand aan de desinfectie met ammoniak, altijd goed stofvrij en vrij van mestresten. Voorkom dat drinkwatervoorzieningen en voerbakken besmet raken vanuit stof of met mest. Daarnaast is de oöcyst gevoelig voor uitdroging. Een natte omgeving zoals niet opgedroogde vloeren en wanden blijven­ een bron van infecties.

We weten uit de pluimveehouderij dat strooisel waarin ammoniakvorming plaatsvindt door de ammoniak een deel van de oöcysten geïnactiveerd worden, maar dat zal nooit 100 procent zijn. Houd er rekening mee dat een bedding en mest, de mest­opslag en de mestkelders daarom zeer veel oöcysten kunnen bevatten en dat met het uitrijden van mest deze oöcysten over het land worden verspreid. Alleen uitdroging en uv-licht zal deze oöcysten kunnen afdoden. Jonge dieren op net bemest land laten grazen is ook vanuit coccidioseoogpunt niet aan te raden.

Deel dit bericht via:
Facebook Twitter LinkedIn Email
Door: Jasper Lentz
Mis geen artikel. Ontvang de tweewekelijkse nieuwsbrief.
E-mail: