De uitdaging van 720 uur weidegang

Nu op steeds meer bedrijven weidegang wordt toegepast, dienen veehouder en dierenarts meer oog te hebben voor de risico’s hiervan. Dierenarts Gerrit Hegen van de veterinaire Kennis-coöperatie Veerkracht bevestigt dat weidegang de nodige kwaliteiten vraagt van de veehouder; koeien moeten immers iedere dag genoeg ruwvoer binnenkrijgen, en dat valt niet altijd mee.

Door Geesje Rotgers. Gepubliceerd in vakblad Veehouder en Veearts.

Gemiddeld over de lactatieperiode moet een koe minstens 15 kilo droge stof uit ruwvoer opnemen: dat mag gras zijn in combinatie met mais en andere structuurrijke voeders. “Die 15 kilo is een eis”, aldus Hegen. In de praktijk blijkt het niet in alle jaargetijden mee te vallen de koeien aan het vreten te houden, zeker niet als de kwaliteit van het gras tegenvalt.

Goed gras in alle seizoenen

Om in aanmerking te komen voor de weidepremie, moeten de koeien jaarlijks minimaal 720 uur de wei in. Hegen: “De kunst van weidegang is onderkennen dat je aan weidegang wil doen. Stap dus af van de gedachte dat het een must is de eerste snede in te kuilen, maar begin als de draagkracht van de zode het toelaat zo vroeg mogelijk te weiden, al in april. Enerzijds om aan voldoende uren te komen, anderzijds om te besparen op de eiwitaankopen: zo’n 300 tot 400 gram eiwitrijk voer per koe per dag. In het voorjaar groeit het gras goed en heeft het een hoge kwaliteit.”

Na half juni loopt op veel bedrijven de kwaliteit van het gras terug. Droogte kan de oorzaak zijn. Maar vaker ligt de oorzaak in fouten in het bemestingsplan. In het bemestingsplan is geen onderscheid gemaakt tussen maai- en weidepercelen, alle percelen zijn als maaiperceel met drijfmest bemest. Daardoor is er onvoldoende drijfmest over voor latere snedes en ook de compensatieruimte voor kunstmest is beperkt. Hegen komt dit vaak tegen op bedrijven. Niet alleen is hier sprake van een weinig efficiënte stikstofbenutting, ook werkt het allerlei problemen in de hand, zoals: te hoge kaligehalten in het  voorjaarsgras (met kans op kopziekte), later in het groeiseizoen teruglopende graskwaliteit en aantasting van het gras door roest. “Het bemestingsplan is sterk voor verbetering vatbaar op veel bedrijven”, aldus de dierenarts.

Goed beweiden betekent dat er wordt gewerkt met groeitrappen, waardoor er steeds nieuw etgroen beschikbaar komt. Ook moeten er kleine beetjes stikstof in de vorm van kunstmest beschikbaar blijven voor snedes later in het seizoen, zodat roest geen kans krijgt. Ook klaver is een optie om aan wat stikstof te komen en roest voor te blijven.

Nazomerweides kunnen ook in de maanden september, oktober en november heel mooi zijn en gras leveren van hoge kwaliteit met relatief veel ruw eiwit. In het najaar is de bodemtemperatuur meestal goed, er is stikstofnawerking van drijfmest of klaver.

Wat zijn de tips voor mooi gras in het tweede deel van het seizoen? Hegen adviseert in het voorjaar eerst een beweidingsplan te maken en het bemestingsplan voor het hele seizoen daarop af te stemmen. Maak in de planning steeds onderscheid tussen maai- en weidepercelen, ook als die bijgesteld moet worden. Percelen waar je gaat weiden horen geen drijfmest te krijgen in verband met de smakelijkheid en het risico van onder andere salmonella. Met maaien in dienst van de beweiding en het maken van groeitrappen zorgt dit alles ook in de tweede helft van het seizoen voor smakelijk gras waar de koeien goed melk van kunnen geven. Ze willen dan ook graag de weide in.

Management bij hittestress

Als de temperatuur boven de 20 graden komt, kan de koe al hinder ervaren van de warmte, zeker op percelen in de luwte. Op percelen waar veel wind staat, hebben de dieren iets minder snel last van de temperatuur. Bij hittestress zullen de dieren minder ruwvoer opnemen, waardoor zij niet meer aan die gemiddeld minimale 15 kilo droge stof komen. Deze bekende ‘zomerdip’ heeft een breed scala aan gevolgen: daling van de melkgift, lagere gehalten in de melk, diepere negatieve energiebalans, verlaging van de weerstand, pensverzuring en daardoor meer kans op problemen met de klauwgezondheid, uiergezondheid, vruchtbaarheid. De onvoldoende opname aan ruwvoer opvangen met extra krachtvoer werkt pensverzuring in de hand. Kortom: er wordt veel gevraagd van de beweidingskwaliteiten van de veehouder. Daarnaast moet hij flexibel op de situatie inspelen met de hoeveelheid en de aard van de bijvoeding op stal. Een goede drinkwatervoorziening op stal en in de weide is daarbij essentieel.

De maanden juli en augustus zijn vanwege de temperatuur minder geschikt om de koeien te weiden. Hegen adviseert de koeien dan op stal te voeren en de weidegang weer op te pakken vanaf september. Op warme dagen kan ook ’s nachts worden geweid. Deze opties worden aantrekkelijk nu er elektronische systemen op de markt komen om de weidegang te registereren (controle op weidepremie).

Niet alleen de koeien kunnen last hebben van stress in de zomer, ook het gras kan ‘in de stress schieten’ in deze periode vanwege droogte. Dit leidt ertoe dat het gras gaat doorschieten, waarbij de kwaliteit en smakelijkheid afnemen. Het kost dan meer moeite om de koeien aan het grazen te houden. Maar de weide kan er in deze maanden ook belabberd bij liggen door droogte of door veel neerslag in combinatie met een slechte bodemstructuur en ontwatering. Dat heeft gevolgen voor de botanische samenstelling. De goede grassen hebben het zwaar, matige grassen en onkruid krijgen de kans. Graslandverbetering kan dan noodzakelijk zijn, al of niet met verbetering van de structuur.

Hegen adviseert veehouders een ‘noodplan’ beschikbaar te hebben. Welk alternatief heb je als de koeien tien dagen niet de wei in kunnen? Welke rantsoen heb je dan beschikbaar voor de koeien?

Bodem op orde houden

De bodem verdient meer aandacht. Veel veehouders doen weinig aan het onderhoud van de toplaag. Dat leidt ertoe dat veel bodems te zuur zijn voor een optimaal voedzaam product. Zo is de zuurgraad van 75 procent van de maispercelen te laag (te zuur). Bij graspercelen is dat bij 45 procent het geval. Deze bodems hebben een gebrek aan calcium (kalk). En juist calcium speelt een belangrijke rol bij de structuur van de bodem en daarmee bij de opname van allerlei mineralen en spoorlementen door het gewas. Calcium maakt de bodem mooi rul en zorgt ervoor dat andere meststoffen beter worden vastgehouden in de bodem. Een gezonde bodem zorgt ervoor dat het gras voldoende mineralen en spoorelementen bevat. Hegen wijst op elementen als selenium, koper, kobalt, natrium en kalium (laatste voor zandgrond). Ook de verhouding tussen bepaalde elementen, zoals tussen calcium en fosfor is belangrijk. Volgens Hegen kijken veehouders veel te weinig naar deze elementen. De gehalten in de mest lopen terug en daarmee de gehalten in het ruwvoer. “Er zijn nog maar enkele boeren die graslandzout met koper of kobalt strooien, terwijl deze elementen erg belangrijk zijn voor de diergezondheid.” Hij constateert soms tekorten bij dieren. Zo wordt bij jongvee nogal eens kopergebrek vastgesteld doordat de graskuil te weinig koper bevat. Ook groeischijfafwijkingen in de ondervoet (botwoekeringen) of grove kogels worden gezien door een scheve calcium-fosforverhouding in combinatie met laag koper, onvoldoende vitamine D-voorziening en beperkte bewegingsruimte bij opgestalde dieren. Hegen pleit ervoor niet alleen te focussen op stikstof en fosfor, maar ook goed te kijken naar alle andere mineralen en zo nodig mineralen bij te bemesten. Een mineralecheck van jongvee geeft ook veel informatie.

Deel dit bericht via:
Facebook Twitter LinkedIn Email
Door: Jasper Lentz
Mis geen artikel. Ontvang de tweewekelijkse nieuwsbrief.
E-mail: