Per regio moeten artsen en dierenartsen kennis uitwisselen

In iedere regio zouden huisartsen en dierenartsen elkaar geregeld moeten opzoeken om hun kennis uit te wisselen over zoönosen. Dat zegt Ans van Lier, arts bij GGD Midden-Nederland en een van de initiatiefnemers van het Kennisnetwerk Zoönosen in de provincie Utrecht.

Het Utrechtse Kennisnetwerk Zoönosen streeft ernaar dat dierenartsen en ­artsen in de regio elkaar kennen en elkaar goed weten te vinden, zeker in tijden van crisis.” Volgens Van Lier hebben de meeste dierenartsen zoönosen goed in beeld. “Dierenartsen zien het vaak wel als een boer of een gezinslid een zoönose heeft opgelopen. Dierenartsen adviseren de persoon dan naar de huisarts te gaan. Meer gebeurt er vervolgens niet. De dierenarts en huisarts hebben geen contact over het ziektegeval. Daarbij zijn veel huisartsen niet gewend om een link te leggen met dieren. Ik ben al blij wanneer een huisarts vraagt naar diercontacten en dit meeneemt in zijn diagnosestelling.” Wanneer dierenartsen en huisartsen in alle regio’s in Nederland kennis en signalen uitwisselen, dan zouden zoönosen adequater aangepakt kunnen worden.

Bewuster omgaan met zoönosen

Van Lier vindt dat dierhouders zich veel bewuster moeten worden van de risico’s op zoönosen. Met name bedrijven met een publieksfunctie moeten extra oppassen. Adviezen zijn:
1. Met name de resistente bacteriën zijn een groot probleem voor de humane gezondheidszorg. Veehouder en dierenarts doen er goed aan samen een hygiëne- en gezondheidsprotocol op te stellen, met daarin veel aandacht voor het gebruik van bedrijfskleding, het wassen­ van de kleding, de persoonlijke bescherming tegen het risico­ op zoönosen.
2. Het liefst ziet Van Lier dat ieder veehouderijbedrijf een keurmerk heeft op het gebied van zoönosen. Nu is dat zelfs niet verplicht voor boerderijen met een publieke functie, zoals zorgboerderijen en kinderboerderijen. De GD geeft zo’n keurmerk af.
3. Wees je bewust van de risico’s die je personeel, je bedrijfsbezoekers en jezelf lopen. Overleg met de dierenarts.
4. Dierenartsen zouden er goed aan doen de GGD in hun regio te informeren­ wanneer zij het vermoeden hebben van een zoönose bij een dierhouder.
5. Dierenartsen en huisartsen zouden er goed aan doen periodiek kennis­ uit wisselen over zoönosen in de regio (liefst gecoördineerd vanuit de regionale GGD).

Lees het volledige artikel ‘Impact zoönosen niet onderschatten’ in Veehouder en Veearts, editie najaar 2013.

Deel dit bericht via:
Facebook Twitter LinkedIn Email
Mis geen artikel. Ontvang de tweewekelijkse nieuwsbrief.
E-mail: