Opeten nageboortes leidt mogelijk tot verwerpen bij zeugen

Het opeten van verworpen nageboortes door vroegdrachtige zeugen kan mogelijk leiden tot (groepsgewijs) verwerpen. Dat stelt de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD). De GD gaat hiernaar extra onderzoek uitvoeren.

Sinds groepshuisvesting in 2013 verplicht is gesteld voor zeugen vanaf vier dagen na inseminatie, komen er signalen vanuit de varkenshouderij dat het aantal vroege verwerpers fors is toegenomen. Op bedrijven met stabiele weekgroepen lijkt daarbij soms sprake te zijn van groepsgewijs verwerpen. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat in verworpen nageboortes prostaglandine voorkomt, dat na opeten verwerpen veroorzaakt bij gevoelige groepsgenoten.

Uit onderzoek van de GD, uitgevoerd in opdracht van NVV en LTO, is gebleken dat in nageboortes van verworpen biggen inderdaad prostaglandine is aan te tonen met een ELISA-test. De variatie in de metingen is echter zeer groot, afhankelijk van hoe het weefselmateriaal is voorbewerkt. De (voorlopig) gevonden concentraties komen wel in de buurt van de hoeveelheid waarmee (ver)werpen kan worden opgewekt. Uit literatuuronderzoek is bovendien te concluderen dat opname van prostaglandine via de mond kan leiden tot biologisch actieve concentraties in het lichaam.

Het is dus niet uit te sluiten dat het opeten van verworpen nageboortes kan leiden tot verwerpen, aldus de GD. Maar met de huidige resultaten is dit nog niet bewezen. Daarom gaat de GD extra onderzoek uitvoeren om vast te stellen of het opeten van verworpen nageboortes door vroegdrachtige zeugen kan leiden tot verwerpen en of dat verband houdt met groepsgewijs opbreken in stabiele weekgroepen.

Deel dit bericht via:
Facebook Twitter LinkedIn Email
Door: Redactie
Mis geen artikel. Ontvang de tweewekelijkse nieuwsbrief.
E-mail: