Hoe komt uw jongvee uit de weideperiode?

Op veel melkveebedrijven kan de jongveeopfok verder geoptimaliseerd worden. Het ontbreekt echter vaak aan beschikbare kengetallen om de jongveeopfok goed te monitoren. Zeker wanneer het jongvee in het voorjaar naar buiten gaat, is het zinvol om de weideperiode eens goed te analyseren. Dat schrijft Mark van der Heijden, rundveedierenarts bij Universitaire Landbouwhuisdieren Praktijk in Harmelen, in vakblad Veehouder en Veearts.

Een eerste hulpmiddel bij de beoordeling van de groei tijdens weidegang is het meten van het jongvee. Geschikte momenten hiervoor zijn bij het naar buiten gaan en bij het op stal komen. Op een melkveebedrijf is de borstomtrek van het jongvee gemeten bij het naar buiten gaan op 8 juni en bij het op stal komen op 7 november.

Op basis van de twee opeenvolgende metingen kan geconcludeerd worden dat de groep die in het voorjaar rond 12 maanden oud was minder hard is gegroeid tijdens de weideperiode, ondanks dat er dat jaar ruim voldoende grasaanbod was. In het voorjaar was deze groep nog boven de gemiddelde groeilijn, aan het eind van het weideseizoen zaten ze eronder. Op dit bedrijf gingen de dieren vanaf 6 maanden leeftijd naar buiten en ze kwamen zo laat mogelijk (oktober/november) weer binnen. Bedenk dat vanaf september de voedingswaarde en mineralenvoorziening van het gras sterk afneemt. Om een terugval in groei te compenseren zou tot 10-12 maanden nog wel wat krachtvoer bijgevoerd kunnen worden, maar dat was op dit bedrijf geen optie. Hier is gekozen om de weideperiode voor het jongvee te verkorten tot 2-3 maanden. De dieren bouwen zo wel weerstand op tegen maagdarmwormen en longwormen, maar lopen zo min mogelijk groeivertraging op.

Longworm

Longworminfecties komen nog regelmatig voor op Nederlandse melkveebedrijven. Elk jaar worden wel situaties gezien waarbij in het melkgevende koppel longworminfecties de oorzaak zijn van problemen op het bedrijf. De belangrijkste verschijnselen die dan worden gezien zijn hoesten, melkproductiedaling en vermageren. Om dit probleem te tackelen is het van belang dat jongvee al weerstand opbouwt tegen longworminfecties. Met behulp van de wormsleutel (via www.parasietenwijzer.nl of GD-site) kan eenvoudig worden nagegaan wat mogelijke risico’s en interventies zijn op het bedrijf. Wanneer dieren buiten lopen, moet men wel bedacht zijn op het belangrijkste verschijnsel van een mogelijke longworminfectie, namelijk hoesten. Meestal treedt dit op aan het eind van de zomer. Wanneer meerdere dieren in het koppel hoesten is het verstandig dieren te behandelen om verdere schade zo veel mogelijk te beperken.

In Nederland kan het jongvee ook gevaccineerd worden tegen longworm voor een eerste weidegang. Deze bescherming is echter niet voor langere tijd en het jongvee moet in datzelfde jaar een herbesmetting met longworm oplopen om langdurige bescherming te ontwikkelen. Om te controleren of longworminfecties bij het jongvee een rol spelen, kunnen bij verschijnselen mestmonsters worden onderzocht (via de Baermann-methode). Verder kan bij opstallen met bloedonderzoek bij het jongvee worden nagegaan of er afweerstoffen tegen longworm aanwezig zijn.

Maagdarmwormen

Maagdarmworminfecties komen ook regelmatig voor. In de meeste gevallen worden geen duidelijke verschijnselen gezien, maar bij een heftige besmetting kan er groeiachterstand, vermagering of een afwijkend haarkleed voorkomen. Ook voor maagdarmwormen is het van belang dat jongvee een goede weerstand opbouwt. Hiervoor moet het jongvee gedurende de eerste weide­periode een beperkte besmetting oplopen door met name op etgroen te weiden. Overmatig behandelen met ontworm­middelen kan leiden tot onvoldoende weerstand bij jongvee en verhoogd risico op resistentie tegen deze middelen.

In de aanpak van maagdarmworminfecties op een bedrijf is de eerder genoemde wormsleutel ook een goed hulpmiddel. Gedurende het weideseizoen is mestonderzoek bruikbaar om de mate van besmetting onder het jongvee vast te stellen. Bij opstallen kan met bloedonderzoek op pepsinogeen onderzocht worden of de dieren nog behandeld moeten worden.

Leverbot

In waterrijke gebieden in Nederland komt leverbot voor, een parasiet die bij her­kauwers voor problemen kan zorgen. Verschijnselen zijn niet altijd even duidelijk en kunnen variëren van nauwelijks klachten tot verminderde groei, verminderde weerstand en slechte vruchtbaarheid. Sterfte wordt bij rundvee zelden gezien. Door de lange cyclus van de leverbot, die zich eerst afspeelt in een tussengastheer (slak) en vervolgens in de eindgastheer (rundvee), worden dieren vaak vanaf einde zomer besmet. Verder zijn vochtige omstandigheden essentieel voor de ontwikkeling van de slak en daarmee de ontwikkeling van de leverbot. Om een indruk te krijgen van het risico op leverbotbesmetting wordt jaarlijks door de Werkgroep Leverbotprognose in september een voorlopige en in november een definitieve voorspelling gegeven van de verwachte leverbot­infectie. Voor het eigen bedrijf kan jongvee met een eerste weidegang gescreend worden op de aanwezigheid van afweerstoffen tegen leverbot. Drie weken na in contact te zijn geweest met leverbot, kunnen in het bloed afweerstoffen worden aangetoond. Deze uitslag geeft de actuele situatie weer van een eventuele leverbotbesmetting en kan dienen als referentie voor het andere vee op het bedrijf. Jongvee dat voor een tweede jaar naar buiten is gegaan kan nog positief op leverbotafweerstoffen zijn als het in het eerste jaar al een besmetting heeft opgelopen, en daarmee kan geen conclusie worden getrokken of er sprake is van een recente infectie. Mestonderzoek is ook mogelijk, maar door de lange cyclus worden leverboteieren vaak pas vanaf de winter in de mest gezien. Zodra leverbot is aangetoond, is het van belang de dieren te behandelen met een middel dat werkzaam is tegen leverbot. Belangrijk is daarbij ook om de dieren naar het juiste gewicht te doseren. De praktijk wijst vaak uit dat dieren­ nogal eens onderschat worden in hun gewicht.

Weideperiode onder de loep

Weidegang voor jongvee is zeker goed uitvoerbaar, maar het is wel zinvol om eens stil te staan bij de verschillende aandachtspunten. Met relatief eenvoudige onderzoeken kan nagegaan worden hoe de situatie is op een bedrijf. Het najaar kan gebruikt worden om eens na te gaan hoe het jongvee uit de weideperiode is gekomen.

Dit verhaal is gepubliceerd in het oktobernummer van vakblad Veehouder en Veearts.

Jongvee

Deel dit bericht via:
Facebook Twitter LinkedIn Email
Door: Jasper Lentz
Mis geen artikel. Ontvang de tweewekelijkse nieuwsbrief.
E-mail: