Omgang met vee krijgt rapportcijfer 6,1

Wat vinden Nederlanders van de manier waarop we omgaan met dieren? De Raad voor Dierenaangeledenheden (RDA) liet het onderzoeken middels een online enquête. De deelnemers aan de enquête gaven de omgang met productiedieren in Nederland het rapportcijfer 6,1.

De eerste resultaten van de publieksenquête ‘De Staat van het Dier’ onder tweeduizend mensen werden gepresenteerd op een congres ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van de Raad voor Dierenaangelenheden.

De deelnemers aan de enquête kregen 
vragen voorgelegd over vier verschillende diergroepen: productiedieren; recreatie-dieren (inclusief dierentuindieren); proefdieren; natuurdieren. De RDA constateert op basis van de respons dat er een belangrijke middengroep is in de samenleving die genuanceerder over dieren denkt dan uit het gepolariseerde beeld in de (sociale) media naar voren komt. Er zijn geen grote verschillen in opvattingen tussen mannen en vrouwen, tussen mensen uit stedelijke omgeving en landelijk gebied. Jongeren geven wel sterker aan dat dieren hen aan het hart gaan dan ouderen.

Wanneer er wordt gevraagd hoe er in Nederland wordt omgegaan met dieren, blijkt dat het nogal uitmaakt over welke diergroep het gaat: bij proefdieren en 
productiedieren geven mensen een lager rapportcijfer (5,7 en 6,1) dan bij natuurdieren en recreatiedieren (6,8 en 7,3).

Een kwart van de ondervraagden vindt dat mensen en dieren gelijkwaardig zijn. Het overige deel is van mening dat de mens superieur is (al dan niet met grensgevallen). Verder vindt de meerderheid dat de mens de morele plicht heeft om goed te doen voor alle dieren (72 procent), dat alle dieren een moreel recht op leven hebben (80 procent) en alle dieren een eigen waarde hebben (99 procent). Bij die laatste stelling zegt overigens de helft van de mensen dat de betekenis die mensen aan een eigen waarde geven wel van mens tot mens verschilt.

Aan de mensen die vinden dat dieren een eigen waarde hebben, is gevraagd wat daarvoor hun belangrijkste argumenten zijn. De meest genoemde antwoorden zijn: omdat dieren levende wezens zijn en gevoel hebben (63 procent) en omdat 
dieren en mensen onderdeel zijn van het ecosysteem (54 procent). 29 procent vindt dat dieren een eigen waarde hebben omdat ze nuttig zijn voor de mens.

Mishandeling en verwaarlozing

Dierenmishandeling en -verwaarlozing is de meest negatieve kant van onze omgang met dieren, vinden de ondervraagden (86 procent). Gezondheidsrisico’s voor de mens als gevolg van hoog antibiotica-gebruik in de veehouderij en dierziektes die op mensen kunnen overgaan worden door 43 procent bestempeld als een belangrijke negatieve kant. 40 procent van de geënquêteerden vindt het ruimen van gezonde dieren bij een dierziekte-epidemie negatief. Transport van productiedieren over grote afstanden wordt door 37 procent genoemd en krappe en saaie huisvesting door 33 procent.

Nederlanders (82 procent) noemen ‘Dieren geven liefde, warmte en gezelligheid’ de meest positieve kant van het houden van dieren. 28 procent vindt ‘Gevarieerd aanbod aan smakelijk en gezond vlees, melk en eieren’ positief.

Sterke verbetering dierenwelzijn

De helft van de Nederlanders vindt het niet acceptabel als varkens, kippen en koeien onvoldoende ruimte en afleiding krijgen, ook niet als het geen negatieve gevolgen heeft voor hun lichamelijke gezondheid. Circa vier op de tien Nederlanders vinden dat we moeten luisteren naar wat het dier wil in plaats van onze eigen maatstaven gebruiken. Er bestaat verdeeldheid over de stelling dat het niet mogelijk is om dierenwelzijn te kunnen waarborgen in de huidige vorm van veehouderij: 30 procent is het hier (helemaal) mee eens, terwijl 40 procent het (helemaal) niet eens is met de stelling. Megastallen zijn in ieder geval niet populair: zes op de tien Nederlanders vinden dat er in megastallen nooit sprake kan zijn van voldoende aandacht voor gezondheid en het welzijn van productiedieren.

Met de stelling dat het verhogen van wettelijke normen voor het dierenwelzijn in Nederland zorgt voor verhuizing van dierhouderij naar het buitenland, waardoor de dieren alleen maar slechter af zijn, is 39 procent het eens; 21 procent is het daarmee oneens en 41 procent is het er niet mee eens, maar ook niet mee oneens.

32 procent van de geënquêteerden vindt dat houders en verzorgers van productiedieren het maximale doen om het welzijn van hun dieren te waarborgen; een kwart vindt dat dat niet het geval is.

43 procent van de Nederlanders is van mening dat het welzijn van productiedieren de afgelopen tien jaar sterk is verbeterd. Verder vindt men relatief vaak dat productiedieren het in Nederland veel beter hebben dan in andere Europese landen.

‘Slepende kwesties aanpakken’

De RDA dringt er in eerste reactie op het publieksonderzoek op aan dat een aantal slepende kwesties rond welzijn en gezondheid van dieren, die soms al 25 jaar spelen, voortvarend worden aangepakt. Voorbeelden zijn: krappe behuizing, verveling, transport over lange afstand, gezondheidsproblemen bij huisdieren als gevolg van fokkerij en dierenwelzijn bij bestrijding van dierplagen. Daarbij is een belangrijke rol weggelegd voor de overheid, vindt de RDA. De samenhang in beleid voor verschillende dieren die voor verschillende doelen worden gehouden, wordt volgens de raad steeds belangrijker.

Deel dit bericht via:
Facebook Twitter LinkedIn Email
Door: Jasper Lentz
Mis geen artikel. Ontvang de tweewekelijkse nieuwsbrief.
E-mail: