Specialistisch oog op dode koe

Een dode koe zonder duidelijke doodsoorzaak, bij elke veehouderij komt het weleens voor. De Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) biedt de mogelijkheid om door pathologisch onderzoek de doodsoorzaak op te sporen. Hoe gaat dat eigenlijk in z’n werk? We namen een kijkje.

Door Sjoerd Hofstee in vakblad Veehouder en Veearts.

Professioneel haalt een medewerker in de sectiezaal de net binnengebrachte koe open. Alle ingewanden worden losgemaakt van de buikwand om op een tafel uit te stallen en door de patholoog letterlijk op het oog te worden beoordeeld. Ineens roept de medewerker de patholoog bij zich, die meteen ziet wat hij bedoelt: door het middenrif en de netmaag steekt een spijker richting hart. Een overduidelijk voorbeeld van ‘scherp in’, wat zeer waarschijnlijk de doodsoorzaak is van deze koe.

“Een voltreffer, maar ons onderzoek stopt nu beslist niet”, licht Klaas Peperkamp toe. Hij is een van de acht veterinair pathologen werkzaam bij de GD die dagelijks runderen en ander vee onder ogen neemt.

Om dat zo optimaal mogelijk te kunnen doen, is de patholoog deels afhankelijk van de informatie die wordt aangeleverd. Die informatie komt van de veehouder of dierenarts die de koe aanmeldt voor het pathologische onderzoek. “Meestal doet de betrokken dierenarts dat. Die heeft vaak de koe die ziekteverschijnselen toonde begeleid en kan niet met zekerheid stellen wat de doodsoorzaak is. Of er zijn meerdere dode dieren of verwerpers op een bedrijf, in relatief korte tijd, wat aanleiding geeft om een dier op te sturen. Het ‘patiëntendossier’ van de koe wordt meegestuurd, ook de specifieke informatie over de ziekteverschijnselen vóór het dier stierf die dan meegestuurd wordt, zien wij graag zo concreet en compleet mogelijk; dat helpt ons echt”, vertelt Peperkamp.  “De inzender denkt soms ‘ik zeg maar niets, want dan zoeken ze beter’, maar dat is echt een misverstand”, vult Linda van Wuijckhuise, rundveedierenarts bij de GD, aan. “Als een koe bijvoorbeeld voor het overlijden zenuwverschijnselen toonde, zoals vreemd trekken met een poot, dan is dat voor de patholoog belangrijke toegevoegde informatie. Zoiets zie je immers niet meer als de koe eenmaal dood is.”

Hoe verser hoe mooier

Met de informatie via de dierenarts en de informatie op het inzendformulier gaat de patholoog aan de slag. Een aangemelde koe wordt ’s ochtends opgehaald en in de middag onderzocht. Bij voorkeur zo snel mogelijk nadat het dier gestorven is. “Bij zomerdag met warm weer is het nogal eens lastig het dier in goede staat te houden. Een hoge temperatuur zorgt voor snelle ontbinding. In de schaduw bewaren en nat houden helpt dan”, licht Peperkamp toe.

Het dode dier wordt zorgvuldig geregistreerd bij aankomst. Een correcte aanmelding van dier- en bedrijfsgegevens is dan ook onontbeerlijk. Na binnenkomst in de sectiezaal worden alle organen en ingewanden door GD-medewerkers vakkundig uit het rund gehaald en op een tafel uitgestald. De borst en de buik worden opengesneden. De kop wordt apart doorgezaagd om de hersenen, maar vooral ook de mondholte, goed te kunnen beoordelen op bijvoorbeeld ontstekingen.

Daarop komt de patholoog in actie die protoculair alle onderdelen van het dier langsloopt. Daarbij wordt onder andere gekeken naar vormveranderingen, kleurafwijkingen en andere bijzonderheden. Ook gebruikt de patholoog heel nadrukkelijk zijn of haar reukorgaan. “Eigenlijk gebruiken we al onze zintuigen om alles goed te beoordelen. Om die reden moet een dier ook niet te ver in staat van ontbinding zijn, omdat geur en kleur daardoor te veel beïnvloed worden. Is dat het geval, dan vellen we geen oordeel”, licht Peperkamp toe.

Vaststellen doodsoorzaak

De patholoog controleert op mogelijke ontstekingen en snijdt daarvoor ook bijvoorbeeld de maag en longen open en organen in. “Wij checken alles op het blote oog”, vervolgt Peperkamp. “Gedurende dit onderzoek noteren de assistenten alle bevindingen die wij waarnemen en doorgeven. Indien daartoe aanleiding is, op basis van de ziektegeschiedenis en de bevindingen nemen we monsters van de darminhoud en weefselmonsters. Het onderzoek in de sectiezaal is namelijk stap één die we zetten. De weefselmonsters en darminhoud worden eventueel verder microscopisch en bacteriologisch onderzocht. Na het eerste onderzoek in de sectiezaal geven we de dierenarts en veehouder wel direct onze eerste bevindingen door en de mogelijke diagnose die wij als patholoog stellen. Het uiteindelijke onderzoek duurt, afhankelijk van welke nadere onderzoeken precies nodig zijn per dier, vaak nog één tot twee weken. Als het gaat om onderzoek van bijvoorbeeld botstructuur, nog enkele weken langer.”

De patholoog houdt zich in de rapportage bij het vaststellen van een doodsoorzaak en geeft geen aanbevelingen voor een mogelijke behandeling of aanpak. “Wij kennen de omstandigheden op het bedrijf niet. Eventuele vervolgstappen nemen, ter voorkoming van meer zieke of dode dieren, is daarom puur een zaak van de veehouder die eigenaar is van het dier in overleg met zijn dierenarts.”

Een dood dier aanbieden voor sectie gebeurt natuurlijk niet voor niets. De inzender wil duidelijkheid over de doodsoorzaak omdat daarover wordt getwijfeld of zelfs in het duister wordt getast. De patholoog geeft dan wel geen advies bij de gestelde doodsoorzaak, maar als een uitslag bekend is, komt het regelmatig voor dat er contact is tussen de Veekijker en de dierenarts die het dier inzond. De Veekijker is een telefonische helpdesk waarbij ervaren en gespecialiseerde GD-dierenartsen kosteloos deskundige hulp en advies bieden. “Je kunt daarbij bijvoorbeeld denken aan een koe waarbij een salmonella-aandoening wordt vastgesteld als doodsoorzaak, terwijl de veehouder boert in een gebied waar die ziekte amper voorkomt. Wij kunnen de betrokken dierenarts dan bijstaan met onze kennis en een mogelijke aanpak adviseren of in ieder geval bespreken”, zegt Van Wuijckhuise.

Monitoring drukt kosten

Dat de GD jaarlijks vele secties uitvoert brengt met zich mee dat het veel informatie oplevert. Naast het stellen van een diagnose per individueel dier, wordt getracht trends zo snel mogelijk te herkennen. “Op die manier probeer je bijvoorbeeld overdraagbare ziekten zo snel mogelijk te traceren en de sector daarvoor te waarschuwen. Het Schmallenbergvirus was daarvan een goed voorbeeld, vertelt Van Wuijckhuise. “Wekelijks hebben de rundveedierenartsen als monitoringsteam overleg en regelmatig schuift een patholoog ook aan. Maar de lijntjes zijn kort en we praten elkaar vaak meteen bij als daar aanleiding toe is. Mocht zich een aandoening voordoen die wijst op een ziekte die onder de veewetziekten valt, dan zijn wij natuurlijk verplicht deze te melden aan de NVWA. Wageningen Bioveterinary Research in Lelystad voert dan verder onderzoek uit.”
De diergezondheidsmonitoring brengt voor de rundveesector eventuele trends in beeld en houdt de vinger aan de pols wat betreft nieuwe of opvallende aandoeningen. Het extra voordeel voor inzendende veehouders is dat vanuit de zuivelsector en het ministerie van LNV hierdoor de secties deels worden gesubsidieerd. “Veehouders denken vaak dat onderzoek erg duur is”, weet Van Wuijckhuise. “Ze praten dan over bedragen richting de 500 euro, bijvoorbeeld. Maar een sectie op een rund kost inclusief ophalen door GD en verwijderen door Rendac, wat anders ook moest, 150 euro.”

Deel dit bericht via:
Facebook Twitter LinkedIn Email
Door: Jasper Lentz
Mis geen artikel. Ontvang de tweewekelijkse nieuwsbrief.
E-mail: