Voeding jongvee gestaag afremmen

Jongvee moet intensief groeien, maar mag niet vervetten. Als dieren ouder worden krijgen ze een grotere eetlust. Daarom moet het rantsoen veel vezels bevatten.

Uit vakblad Veearts, april 2019. Door Gregor Veauthier en Christine Stöcker-Gamigliano.

In de eerste levensmaanden worden alle belangrijke organen, zoals de uier, ontwikkeld. Het skelet groeit snel en later beginnen ook de eierstokken te werken. Een tekort aan voedingsstoffen in de eerste maanden kan op een later tijdstip niet meer worden gecompenseerd. Het voeren moet zodanig worden afgestemd dat 
kalveren op de leeftijd van zes maanden 200 tot 230 kilo wegen.

Vezels regelen voeropname

Voerwisselingen zijn lastig voor kalveren en pinken. Het is dus nuttig om tijdelijk verschillende rantsoenen te mengen:

Vanaf het spenen tot en met de leeftijd van zes maanden krijgen de gespeende kalveren het TMR (Total Mixed Ration) van de melkgevende koeien (tabel 1). Het voeren van dit TMR begint echter al enkele weken vóór het spenen. Het rantsoen wordt samen met de kalver-TMR of de kalverbrok aange-boden (1,0 tot 1,5 kilo per dier per dag; in plaats van kalverbrok kan ook basisbrok worden gevoerd). Het voer uit de melkfase kan gerust nog twee maanden na het spenen door worden gevoerd. In elk geval moet het rantsoen voor deze leeftijdsgroep minimaal 970 VEM per kilo droge stof en 160 gram ruw eiwit per kilo droge stof bevatten.

Vanaf de geslachtsrijpheid (circa 280 kilo) is het devies: het rantsoen voor droge koeien of een voermengsel met minder dan 870 VEM per kilo droge stof en 150 gram ruw eiwit zonder extra krachtvoer.

Vanaf de twaalfde à dertiende maand (inseminatie) moet de voederwaarde van het rantsoen worden terruggeschroefd naar circa 800 VEM per kilo droge stof. Want jongvee kan tot wel 50 procent meer voer opnemen dan waar de adviezen van uitgaan. De opname van droge stof door het jongvee kan met het vezelgehalte van het ruwvoer worden geregeld. De voeropname daalt als het vezelgehalte stijgt. Met hoge vezelgehaltes kan de voeropname iets worden afgeremd. Door bijvoorbeeld stro in het rantsoen te mengen, daalt de voederwaarde en is toch de pens gevuld. Als richtwaarde geldt dat het NDF-gehalte van het rantsoen ongeveer 1 procent van het lichaamsgewicht moet bedragen. De lengte van de strodeeltjes moet kleiner zijn dan 4 millimeter, omdat de dieren anders het voermengsel uitselecteren. ‘Slecht’ ruwvoer (minder voederwaarde) hoort niet thuis in het jongveerantsoen. Het is beter om kuil met goede voederwaarden met stro te verdunnen.

Vergeet ook de mineralenvoorziening niet: let op een dagelijkse voorziening met seleen (0,2 mg/kg droge stof), kobalt (0,24 mg/kg droge stof) en in sommige gevallen ook koper.

Weiden? Alleen drachtig jongvee

Het enige dat bij jongvee op de wei tijdens droge en natte perioden nog groeit, zijn de haren. Daarom is het raadzaam alleen drachtige pinken, die minder voedingsstoffen nodig hebben, te weiden. Maar let op: vaak bevat het weidegras in de nazomer en herfst niet meer voldoende voedingsstoffen. Zonder bijvoeren kan de beoogde dagelijkse gewichtstoename van zo’n 750 gram niet meer worden gehaald; de sporenelementen zijn niet automatisch voldoende, want het mineralengehalte in het gras kan sterk verschillen.

Het kaliumgehalte is in jong gras vaak aan de hoge kant. Dat heeft een negatieve uitwerking op de verwaarding van magnesium en natrium. De kalium-natriumverhouding moet 5 op 1 tot maximaal 8 op 1 bedragen.

Hoge gehaltes aan chloor en zwavel resulteren in een lage kationen-anionenbalans (DCAB) van circa 50 tot 60. Het bij koeien in de voorbereidingsfase (close-up) gewenste effect (mobilisatie van calcium uit de botten ter voorkoming van melkziekte) moet bij jongvee worden vermeden. Want in de 
laatste fase van de opfok moet bij de hoogdrachtige pinken ook nog de botmassa toenemen. Daarvoor moeten ze veel calcium in de botten opslaan. Er moet daarom worden gestreefd naar een rantsoen met een DCAB van boven 250.

Het jonge gewas van percelen met veel witte klaver (tweede of latere snede) bevat vaak veel calcium (Engels raaigras circa 5 gram calcium, klaver tot wel 10 gram).
Het is dus zinvol om de mineraalgehaltes in het weidegras te controleren:

  1. Gras op ‘graashoogte’ van verschillende plekken in een perceel verzamelen en een representatief monster maken. Dit monster opsturen voor een volledige analyse (voedingsstoffen, macro-elementen inclusief chloor en zwavel voor de bepaling van de DCAB, sporenelementen).
  2. Een voor de locatie geschikt mineraalvoer uitzoeken of een passend mengsel voor het bedrijf laten samenstellen.
  3. Likstenen of -emmers aanbieden. De pinken vinden de stenen lekker en zullen ze dus luxeconsumeren. Dat kan geen kwaad, maar is wel duurder dan noodzakelijk. Los mineraalvoer is goedkoper.

Tip: Het geven van mineralen combineren met de controle van de dieren. Alle dieren met smakelijk voer lokken en tegelijkertijd de mineralen doseren. Om de twee dagen is voldoende; dan gewoon de dagelijkse dosis twee keer nemen.

Zorgen voor watervoorziening

Jongvee neemt vier keer meer water dan droge stof op. 400 kilo zware pinken drinken bijvoorbeeld ongeveer 45 liter per dag, 
op hete dagen soms zelfs het dubbele. Vaste drinkwaterbakken garanderen 
voldoende wateropname (doorstroming controleren, drinkbakken regelmatig schoonmaken). Als de watervoorziening 
via watertonnen plaatsvindt, moeten die 
om de twee dagen met vers water worden gevuld.

Deel dit bericht via:
Facebook Twitter LinkedIn Email
Door: Jasper Lentz
Mis geen artikel. Ontvang de tweewekelijkse nieuwsbrief.
E-mail: