Zere bekjes bij schapen volkomen onvoorspelbaar

Dertien hobbyschapen krijgen in augustus 2018 last van ecthyma ofwel zere bekjes. Waar komt die besmetting ineens vandaan? En wat kun je eraan doen? De aandoening lijkt onvoorspelbaar.

Door Nannet Fabri, wetenschappelijk medewerker Swedish University of Agricultural Sciences, Umeå. Gepubliceerd in vakblad Veehouder en Veearts.

Eind augustus 2018 loopt in het oosten van Nederland ons koppel van dertien hobbyooien op een stuk weiland dat volledig wordt omzoomd door een bomen- en heestersingel. Elk direct contact met eventuele andere schapen in de omgeving is hierdoor niet mogelijk. De lammeren zijn in juli gespeend en de wei waarin de ooien lopen is schraal en, helaas, zijn er nogal wat distels aanwezig. Sinds we, na de MKZ-uitbraak, in 2001 met nieuwe schapen zijn begonnen, is er geen introductie geweest van nieuwe ooien. Alleen elke twee jaar komt er een nieuwe ram. Alle aanwezige ooien zijn op het bedrijf geboren. In de bewuste augustusmaand blijft een ouder schaap achter in de wei staan terwijl de rest van het koppel naar het hek rent om ons te begroeten. Is er wat aan de hand? Myiasis? Zou kunnen passen in dit jaargetijde, maar ze zijn wel preventief behandeld. Toch maar even kijken. Wat blijkt: de lippen van de ooi zijn verdikt en er zijn kleine zweertjes zichtbaar. Zere bekjes ofwel ecthyma. Hoe is dit mogelijk? Nog nooit hebben we deze aandoening gehad en de ram is al in 2016 op het bedrijf gekomen zonder dat dit tot problemen leidde.
In de loop van de tijd wordt de aandoening steeds erger: alle ooien hebben er in meer of mindere mate last van, van jong tot oud.

Zeer besmettelijk virus

Zere bekjes wordt veroorzaakt door een virus. Het is een zeer besmettelijke ziekte die over de hele wereld voorkomt bij geiten en schapen en bij een aantal wilde soortgenoten. Het virus wordt overdragen via direct contact met een geïnfecteerd dier of met geïnfecteerde voorwerpen en veroorzaakt een niet-systemische huidziekte. Het virus komt het lichaam binnen via wondjes op de huid. Het virus is zeer resistent en kan gedurende enkele maanden buiten de gastheer of in bijvoorbeeld de wol overleven. Vier tot zeven dagen na infectie veroorzaakt het virus in eerste instantie een zwelling en beschadiging van de huid rondom de bek. Daarna ontstaan schurft of pokachtige afwijkingen door het afsterven van huiddelen en de vorming van nieuw huidweefsel, die later gecompliceerd worden met zweertjes, pustels of blaasjes van 0,5 cm en korstjes, op de snuit, de neus, op de lippen en in de bek. Zelf de tong kan meedoen. Secundaire bacteriële infecties zijn dan aannemelijk. Perforatie van de blaasjes en het aanraken van de afwijkingen zijn pijnlijk. Bij zogende ooien kunnen via de geïnfecteerde lammeren ook afwijkingen op de uierhuid en spenen ontstaan. Incidenteel kan door een complicatie met verschillende bacteriën een uierontsteking ontstaan. Vanwege deze afwijkingen en de daarbij komende pijn bij ooi en lam, zullen de lammeren minder drinken en ondervoed raken. Bij volwassen ooien kunnen ook vergelijkbare afwijkingen in de vulva gevonden worden. Bij de ram in de voorhuid waardoor vruchtbaarheidsproblemen kunnen ontstaan. Door direct contact verloopt de verspreiding binnen een koppel snel. De aanwezigheid van doornige bosschages, waardoor huidkrasjes en bekbeschadigingen optreden, blijkt de verspreiding te versnellen. Afhankelijk van de weerstand van het koppel zal 20 tot 100 procent aangetast raken, en hoewel de sterfte over het algemeen laag is, zijn er voorbeelden dat meer dan 15 procent van een koppel sterft. Sterfte is meestal het gevolg van een bijkomende secundaire bacteriële infectie. Het is een aandoening die in de loop van de tijd steeds erger wordt. Uiteindelijk duurt een klinische uitbraak 4 tot 8 weken.

De aandoening komt vaak meerdere keren terug op een bedrijf. Na een introductie kan de ziekte na de geboorte van de lammeren terugkeren en daarna opnieuw als de lammeren 3 tot 6 maanden oud zijn. Ooien die een natuurlijke infectie hebben meegemaakt zijn ongevoelig voor herinfecties, al kan niet worden aangegeven hoelang deze periode duurt. Afweerstoffen die worden doorgegeven via de biest zijn echter niet beschermend voor het nageslacht.

Introductie blijft een raadsel

In ons geval zijn bij alle ooien in meer of mindere mate afwijkingen rondom de bek gevonden. De introductie blijft een raadsel. De stress van het spenen, de schrale wei en het eten van de distels heeft mogelijk bijgedragen aan de snelle verspreiding, al hebben we de ooien wel direct na het vaststellen van de ziekte het ruime gras gegeven. In één geval was de bekafwijking dusdanig ernstig dat de (oudere) ooi slecht kon eten en het dier opgestald moest worden en een antibioticabehandeling heeft gehad. Opmerkelijk was dat het dier veel belangstelling had voor de liksteen en mede hierdoor veel water dronk. Uiteindelijk heeft ook dit schaap het overleefd. Verdere afwijkingen in de vulva hebben we niet waargenomen. Maar het heeft meer dan twee maanden geduurd waarbij veel ooien in conditie achteruitgingen, ondanks het bijvoeren met brok.

Ondertussen was het tijd geworden om de ram toe te laten. Wat te doen? Afwachten of toch maar doorzetten? Besloten is om begin oktober de ram bij het koppel te doen en binnen twee weken waren er ook bij de ram afwijkingen op de lippen zichtbaar, hoewel hij er niet onder leek te lijden en de ernst van de afwijkingen beperkt bleef. De dekperiode ging goed. Alle dieren waren binnen een traject van zeventien dagen gedekt. De overlopers die in januari aan het koppel werden toegevoegd, lieten geen afwijkingen zien.

Vaccinatie niet zinvol

Aan het eind van het weideseizoen, in december, hebben we op hetzelfde stuk wei gedurende vier weken de jonge lammeren laten lopen voordat ze verkocht werden. Geen van de dieren heeft in deze periode verschijnselen van ecthyma gehad.

Met spanning hebben we de lammertijd afgewacht. En voor onze normen hadden we een goede periode: van de dertien gedekte ooien hadden we 25 gezonde lammeren. Vijf maanden na de geboorteperiode had geen van de ooien en lammeren verschijnselen van zere bekjes. Geluk gehad of is de aandoening zo onvoorspelbaar dat er geen voorspellingen gemaakt mogen worden? En wat nu? Vaccinatie is een optie, maar lijkt niet zinvol voor de ooien die een half jaar eerder ernstige klinische verschijnselen hadden. Het vaccin is met name gericht op het beschermen van de nakomelingen, maar overdracht van afweerstoffen via de biest heeft toch een beperkt of zelfs geen beschermend effect? Vaccinatie van lammeren lijkt niet volledig beschermend te zijn en het gebruik van een levend virus brengt risico’s met zich mee. Insleep voorkomen wordt er gezegd, maar de ziekte is al geïntroduceerd. Geen dieren aanvoeren in de periode van de lactatie, maar dat hebben we nooit gedaan. Een gesloten bedrijfsvoering met natuurlijke dekking is ook al geen optie. Het blijft onduidelijk hoe het alles is ontstaan en wat we moeten doen om het te voorkomen. Rustig afwachten dan maar.

Deel dit bericht via:
Facebook Twitter LinkedIn Email
Door: Jasper Lentz
Mis geen artikel. Ontvang de tweewekelijkse nieuwsbrief.
E-mail: