Rundveeziekte BCK is te voorkomen

Boosaardige catarraal koorts is voor alle veeartsen een bekende ziekte die nog wel een aantal keren per jaar per praktijk wordt gezien, met bijna steevast een fatale afloop. Toch is de virusziekte lang niet altijd bekend bij veehouders en worden er vaak geen maatregelen genomen om die te voorkomen.

Door Maurits Bosgoed, dierenarts bij DAP Vaassen

De combinatie van het houden van schapen en runderen op een bedrijf is eigenlijk heel logisch. Het beweiden van percelen door verschillende diersoorten heeft voordelen voor zowel de vegetatie als de infectiedruk van maagdarmwormen op beide soorten dieren. En als de koeien in de winter op stal staan, kunnen de drachtige ooien de vaak nog vette weides begrazen. Ook op bouwland dat ingezaaid is met groenbemesters, kunnen zij zich deze maanden goed redden.

Praktijkgeval

Op een bedrijf met zo’n 200 melkkoeien en 80 schapen werden beide diersoorten al jaren geweid op dezelfde percelen. In februari werden de schapen naar binnen gehaald. In de veldschuur lammerden ze in een periode van een maand allemaal af. Ze bleven tot eind maart in de schuur. Daar werden niet alleen schapen gehouden in die periode; op een afstand van 3 meter van de schapen stonden droge koeien en drachtige pinken.

Net als vele schapenkuddes, was ook deze besmet met het voor schapen ongevaarlijke herpesvirus dat bij runderen BCK kan veroorzaken. In de aflammerperiode is de uitscheiding van dit virus het hoogst. In deze stalperiode worden weer andere schapen besmet. Bij deze schapen ontstaat vervolgens een infectie zonder dat er verschijnselen optreden.

Het virus kan niet via de lucht een ander dier op een afstand van meer dan enkele meters besmetten. Wel kan besmetting plaatsvinden via direct contact van de dieren of via het vruchtwater.

Op die manier kwamen de drachtige koeien op het bedrijf in contact met het voor deze dieren dus wel gevaarlijke virus. Dit is ook meteen de enige manier waarop een volwassen rund besmet kan raken.

Verschijnselen

Pas in het voorjaar tot in de zomer ontstonden er bij de melkgevende koeien problemen. Een koe lag dood in de stal en een andere vertoonde hoge koorts en kwijlde. Later werden afwijkingen gezien op de slijmvliezen en was duidelijk zichtbaar dat er sprake was van pijn. Een week later stierf de tweede koe en begonnen dezelfde verschijnselen bij een derde dier. Omdat ongeveer 90 procent van dieren met dergelijke symptomen het niet overleeft en er sprake is van veel leed, werd er al snel gekozen voor euthanasie. Bij de rest van het koppel werden geen verschijnselen gezien.

Evaluatie en verdere aanpak

De eerste koe is niet voor sectie weggegaan, maar de andere twee vertoonden een zeer duidelijk klinisch beeld van Boosaardige catarraal koorts (BCK). Achteraf gezien bleek dat er op dit bedrijf vaker dieren waren uitgevallen om een reden die achteraf gezien toegeschreven kon worden aan BCK.

Drie zieke dieren in zo’n korte periode op één bedrijf is een vrij hoog aantal. Meestal beperkt het zich tot één dier. Toch zijn er ook gevallen bekend waar twintig koeien in een paar weken tijd uitvielen.

In principe is een afstand van zo’n 10 meter tussen het rundvee en de aflammerende schapen voldoende om besmetting te voorkomen. Toch is er in dit geval gekozen om een fysieke afscheiding te maken met een muur. De veldschuur werd dus in tweeën gesplitst. Ook is het snel binnendoor lopen vanaf de schapen naar de koeien niet meer mogelijk en wordt er bij de schapen aparte kleding gebruikt zodat de veehouder niet zelf de koeien kan besmetten via het vruchtwater van de ooien op de kleding en handen.

Bewustwording en de juiste looplijnen waren in dit geval dus de oplossing.

De rest van het jaar vindt er wel contact plaats tussen de verschillende diersoorten op dit bedrijf, maar vinden er door de genoemde maatregelen geen besmettingen meer plaats.

Deel dit bericht via:
Facebook Twitter LinkedIn Email
Door: Jasper Lentz
Mis geen artikel. Ontvang de tweewekelijkse nieuwsbrief.
E-mail: