❮ Dierziekten-ABC

Maagdarmwormen

Een groot probleem in de Nederlandse rundveehouderij vormt de infectie met maagdarmwormen in het weideseizoen. Deze zogenaamde parasitaire infectie bestaat uit het opnemen van wormeieren die in het maagdarmkanaal uitkomen en uitgroeien tot heuse wormen. Uit onderzoek is gebleken dat meer dan 80 procent van de bedrijven met rundvee besmet is met deze wormen en een goed beweidings- en bestrijdingsregime is essentieel voor een gezonde opfok van kalveren en pinken.

Oorzaak

Volwassen wormen in het maagdarmkanaal produceren eieren die via de mest op het grasland terecht komen. Bij voldoende vocht en een temperatuur tussen de 20 en 30 graden ontwikkelen zich in twee tot drie weken de besmettelijke larven. Na het eten van dit besmette gras met larven ontwikkelen zich in het rund binnen drie weken opnieuw volwassen wormen die weer eieren produceren. Daarmee is de cyclus rond.

Er zijn vele wormsoorten bekend bij het rund, maar de belangrijkste zijn Ostertagia ostertagi en de Cooperia oncophore. Meestal is bij een wormbesmetting sprake van een menginfectie van beide soorten, waarbij de laatste het meeste voorkomt, maar de eerste het meest schadelijk is.

Larven en wormen veroorzaken schade aan de darmwand. De darmvlokken, de villi, raken beschadigd en worden vervangen door een dunne laag epitheelcellen. Door dit vervloeien van de darmvlokken kunnen er minder voedingstoffen en vocht worden opgenomen omdat het contactoppervlak van de darmwand met de inhoud kleiner is geworden. De verminderde vochtopname kan leiden tot diarree en uitdroging van het rund.

Door de kapotte darmvlokken treedt ook een verlies op van bloedplasma en eiwitten naar de darm toe. Ook dit kan diarree veroorzaken, maar belangrijker is dat hierdoor voedingsstoffen weglekken en niet meer beschikbaar zijn voor de groei van het dier.

Dieren kunnen een immuniteit opbouwen tegen maagdarmwormen. Voor Cooperia-soorten duurt dat ongeveer één weideseizoen, voor Ostertagia-soorten duurt dat gemiddeld twee seizoenen. Belangrijk te weten is dat een immuniteit bij middelmatige tot zware infectie sterk vertraagd opgebouwd wordt. Door de verminderde voedselopname en het lekken van eiwitten ontbreken vaak essentiële aminozuren, de bouwstenen voor eiwitten, om een goed afweer te ontwikkelen.

Verschijnselen

De schade door een worminfectie is moeilijk vast te stellen; zeker omdat het een koppelaandoening betreft, dat wil zeggen dat alle dieren in een koppel besmet raken en er vaak geen uitgesproken gevallen te zien zijn.

De schade op koppelniveau betreft vaak de groeivertraging, ‘de dieren doen het niet’. In uitgesproken gevallen zijn de dieren mager en hebben een dof haarkleed. Vaak zijn de dieren vies op de achterhand door de diarree.

Behandeling en preventie

Ter bestrijding of ter voorkómen van maagdarmwormen is het van belang om te kijken naar het zogenaamde weidemanagement en naar de keuze en inzet van wormmiddelen.

Met een goed weideregime kunnen veehouders wormbesmettingen goed in de hand houden. Onzeker daarbij is wel de beschikbaarheid van weiland, het weer, de grasproductie en de lengte van het weideseizoen. Essentieel is het dieren op schone percelen te weiden. Schoon beschouwen we (liefst 2 keer) gemaaid land of pas ingezaaid land. Als de dieren daarna om de drie à vier weken omgeweid worden is de kans op besmetting gering.

Elke beweidingsmethode hangt af van de beginbesmetting van het land. Dat kan tot juli door overwintering van larven op het land, maar ook kan beweiding met een voorgaande koppel tot besmetting van het land leiden.

De kliniek kan u helpen bij het maken van een verantwoorde keuze van het beweidingsregime .
Uit bovenstaande blijkt dat beweiding geen eenvoudig uit te voeren systeem is en per jaar kan verschillen afhankelijk van het weer en de lengte van de weideperiode.

Meestal zal toch gekozen moeten worden voor een systeem van periodieke ontworming. Dat geldt met name voor de melkveehouderij omdat deze immers intensiever beweidt dan de zoogkoeiensector.

Ontwormmiddelen zijn globaal in drie vormen toe te passen:
•    Per onderhuidse injectie
•    Pour-on; toediening van het middel over de rug
•    Oraal; het toedienen van het middel als bolus of drank via de mond
De keuze is aan de veehouder, maar de kliniek adviseert om met name een pour-on of orale middelen te gebruiken. Dat is makkelijker en voor de dieren prettiger omdat injecties pijnlijk kunnen zijn.

Indien niet op ‘schoon’ land beweid kan worden, is het raadzaam om het jongvee bij het naar buiten gaan te behandelen met een pour-on of een ontwormbolus. Afhankelijk van het merk van de pour-on werkt het middel 2 tot 4 weken, waarna de behandeling herhaald moet worden, tenzij schoon land beschikbaar is.

Een bolus werkt ongeveer drie tot vier maanden. De werking van een bolus kan zijn dat er om de 6 weken een hoeveelheid middel vrij komt die de larven en wormen doodt. Het kan ook zo zijn dat een bolus een continue afgifte heeft waarbij hoge infecties worden gedecimeerd.

Het toedienen van een bolus heeft meerdere voordelen. Ten eerste werken ze langer dan een pour-onbehandeling en ten tweede werkt het de immuniteitsopbouw niet tegen. Bij de stootsgewijze afgifte kan tussendoor de afweer ontwikkelen en bij de continue afgifte blijft er een klein deel van de larven en wormen leven die het lichaam zelf aankan en geen schade zal veroorzaken. Het interval in behandelingen is afhankelijk van de lengte van het weideseizoen, de buitentemperatuur en de mate van beweiden op schoon land.
Het is raadzaam om bij langere weidegangen te blijven ontwormen conform het advies van het pour-onmiddel. Globaal kan in september hiermee gestopt worden. Vaak zijn de risico’s voor een worminfectie na september veel kleiner en de latere infecties zullen bijdragen aan de immuniteitsopbouw van het rund.
Bij het gebruik van een bolus is een nabehandeling met een pour-onmiddel niet meer nodig.

Bij het opstallen is het wel verstandig om na te gaan hoe het staat met de wormbesmetting. Via mestonderzoek kan vrij eenvoudig nagegaan worden of er nog wormen aanwezig zijn en kan gericht besloten worden om bij opstallen nog een keer te behandelen.

Mestonderzoek kan ook belangrijk zijn om te bepalen hoe zwaar de infectie met Ostertagia-soorten is. De immuniteitsopbouw tegen deze wormen duurt gemiddeld immers twee jaar. Bij zware besmettingen is het dan raadzaam om ook aan het begin van het tweede weideseizoen met een pour-onmiddel te behandelen.

Sinds enige jaren zijn er andere opfokmethodes in opkomst die een eigen specifieke ontworming vereisen:

•    Kalveren gaan het eerste levensjaar niet naar buiten
Het tweede levensjaar moet dan als eerste weidegang gezien worden en als zodanig behandeld worden.
•    Kalveren gaan het eerste levensjaar maximaal drie maanden naar buiten
Dit is niet te beschouwen als een weideseizoen. Bij beweiding op besmet land is een pour-on-behandeling te adviseren in combinatie met een tussentijdse behandeling of een behandeling bij opstallen. Het volgende weideseizoen dient dan als eerste te worden beschouwd.
•    Jongvee en koeien blijven binnen
Worminfecties spelen een rol bij het voeren van vers gras. Mestonderzoek zal leidend zijn in de keuze van behandeling.

Deel deze pagina via:
Facebook Twitter LinkedIn Email
❮ Dierziekten-ABC

Het Dierziekten-ABC is samengesteld op basis van informatie van verschillende (internet)bronnen, waaronder de GD, NVWA, dierenartsenpraktijken,farmaceutische bedrijven en vakbladen.