Partnerbericht van Hipra

BRD in kalveren: leren van het verleden

Luchtwegproblemen bij jongvee komen met name in de herfst en winter voor. Wat hebben we geleerd van afgelopen winter en hoe gaan we daar deze winter op inspelen? Lees hier meer over hoe we dit jaar een goede vaccinatiestrategie kunnen kiezen.

Elk jaar zijn de herfst en winterperiodes de momenten dat de aanpak van luchtwegproblemen bij het jongvee weer hoog op de agenda komt te staan. Maar moeten we wachten tot de problemen zich weer voordoen, of kunnen we op basis van voorgaande ervaringen al een plan van aanpak opstellen? Wat hebben we geleerd van afgelopen winter en hoe gaan we daar deze winter op inspelen?

In de winter van 2018-2019 zijn er door dierenartsen uit heel Nederland longspoelingen bij kalveren met luchtwegproblemen gedaan. Van de 267 BAL-monsters die ingestuurd werden via Hipra, bleek dat in 22 % van de gevallen het BRSV virus een rol speelt bij de luchtwegproblemen. PI3 werd in slechts 5 % van de BAL monsters aangetoond. Ondanks dat PI3 in staat is om een klinische infectie te veroorzaken, wordt deze vaak geassocieerd met milde of subklinische infecties. De klinische betekenis van PI3 in het ontstaan van luchtwegproblemen in de winter van 2018-2019 in Nederland is dan ook zeer klein.

Het bovine respiratoire syncytial virus (BRSV) speelt een beduidend grotere rol bij het ontstaan van BRD. Het is één van de belangrijkste virale aandoeningen die pneumonie bij kalveren kan veroorzaken. Infecties worden het meest gezien bij kalveren tussen 1 en 6 maanden leeftijd. De morbiditeit van BRSV infecties kan oplopen tot 80 % en de mortaliteit kan bij uitbraken tot 20 % oplopen.

BRSV behoort tot de Paramyxoviridae familie en kan necrose van de epitheelcellen van de bronchiolen veroorzaken, met infiltratie van neutrofielen en eosinofielen. Dit wijst op een TH2-immuunreactie, welke overeenkomsten vertoont met een overgevoeligheidsreactie (Gershwin 2007, Tizard 2012). Aangezien in vitro weinig cytopathologie optreedt, speelt deze reactie een belangrijke rol in de pathogeniteit van BRSV. Daarnaast heeft BRSV ook een effect op de tracheale epitheelcellen; het vermindert de efficiëntie van het mucociliare transport in de luchtpijp met 50 % (Gershwin 2008). Dit transport zorgt er normaal gesproken voor dat ingeademde deeltjes en bacteriën richting de neus en mondholte worden getransporteerd. Een verminderde werking van dit systeem vergroot dan ook de kans op een secundaire bacteriële infectie.
Een BRSV infectie kan resulteren in een plotselinge dood, depressie, benauwdheid, neusuitvloeiing en koorts. Dieren die de infectie overleven hebben vaak blijvende schade aan de longen, wat resulteert in een lager gewicht. Dit is ook in verschillende studies aangetoond, waarbij er een gemiddelde afname in dagelijkse groei aangetoond werd van 111 gram per dag (Williams 2007, Pardon 2013, Klem 2016).

Maternale antistoffen beschermen het jonge kalf tegen infecties. Kijkend naar het effect van de maternale immuniteit op een BRSV infectie, moeten we ons vooral richten op de hoeveelheid IgA in de biest. Met name IgA heeft een lokaal werkend effect op de respiratoire mucosa, doordat IgA, in tegenstelling tot IgG, respiratoir gesecreteerd wordt. Helaas bevat biest maar 10 % IgA, waarbij de halfwaardetijd slechts 2,5 dag is. Dit resulteert in een onvoldoende en te korte lokale bescherming door IgA, zelfs wanneer door een goede biestvoorziening er een goede systemische bescherming is door de aanwezigheid van een hoge IgG concentratie in het bloed (Butler, 1986).
Maternale antistoffen kunnen interfereren met parenterale vaccinatie, zoals aangetoond in verschillende onderzoeken (Kimman 1989, Ellis 2010, Ellis 2014, Ellis 2017). Aangezien een BRSV infectie vaak bij jonge dieren voorkomt, zal een vaccinatie ook al op jonge leeftijd uit moeten worden gevoerd om voldoende bescherming te bieden. Echter zou op het moment van vaccinatie nog maternale immuniteit aanwezig kunnen zijn. Dit brengt dus het risico met zich mee dat de maternale antistoffen kunnen interfereren met het parenterale vaccin, waardoor de mate van bescherming door het vaccin niet goed voorspeld kan worden.

Om interferentie met maternale antistoffen te voorkomen kunnen er verschillende vaccinatie strategieën worden toegepast. Het makkelijkst is natuurlijk om te wachten tot de maternale antistoffen verdwenen zijn, echter betekent dit dat er pas op latere leeftijd gevaccineerd kan worden en er dus een periode van onvoldoende bescherming optreedt. Het toedienen van een vaccin via intranasale route voorkomt vaak de interferentie met maternale antistoffen. Ook geïnactiveerde vaccins kunnen door het gebruikte adjuvant bescherming bieden tegen een infectie. Er zijn alleen geen onderzoeken bekend waarin geïnactiveerde BRSV vaccins toegepast worden in de aanwezigheid van maternale immuniteit.

Bij de keuze van een vaccin is het dan ook van belang om een goede afweging te maken waarbij de leeftijd en immuunstatus van het te vaccineren dier een belangrijke rol spelen. Belangrijk is het om goed op de hoogte te zijn van de eigenschappen van de verschillende vaccins om zo per bedrijf de juiste keuze te maken.

  • Ellis JA, Gow SP, Goji N. Response to experimentally induced infection with bovine respiratory syncytial virus following intranasal vaccination of seropositive and seronegative calves. J Am Vet Med Assoc 2010;236:991–999.
  • Ellis J, Gow S, Bolton M, et al. Inhibition of priming for bovine respiratory syncytial virus-specific protective immune responses following parenteral vaccination of passively immune calves. Can Vet J 2014;55:1180–1185.
  • Ellis JA. How efficacious are vaccines against bovine respiratory syncytial virus in cattle? Veterinary Microbiology 2017;206:59–68.
  • Gershwin LJ. Bovine respiratory syncytial virus infection: immunopathogenic mechanisms. Anim. Health Res. Rev. 2007;8:207-213.
  • Kimman TG, Westenbrink F, Straver PJ. Priming for local and systemic antibody memory responses to bovine respiratory syncytial virus: effect of amount of virus, virus replication, route of administration and maternal antibodies. Veterinary Immunology and Immunopathology 1989;22:145–160.
  • Klem TB, Kjaestad HP, Kummen E, Holen H, Stokstad M. Bovine respiratory syncytial virus outbreak reduced bulls’weight gain and feed conversion for eight months in a Norwegian beef herd. Acta Vet. Scand: 2016:58.
  • Pardon et al. Impact of respiratory disease, diarrhea, otitis and arthritis on mortality and carcass traits in white veal calves. BMC Veterinary research: 2013;9:79.
  • Sarmeinto-Silva RE, Nakamura-Lopez Y, Vaughan G. Epidemiology, molecular epidemiology and evolution of bovine respiratory syncytioal virus. Viruses 2012;4:3452-3467
  • Tizard IR. Veterinary Immunology. Elsevier Health Sciences. 2012.
  • Williams P, Green L. Cattle Practice: 2007;15;3:244-249.
Alle berichten van Hipra op Veearts.nl >>