Partnerbericht van Hipra

BRSV bij jongvee, wat is uw advies?

Weet u per bedrijf welke pathogenen een rol spelen of zet u 1 standaard vaccinatieprotocol in voor al uw bedrijven? Om te weten welke vaccinatiestrategie bij welk bedrijf en situatie past is het van belang te weten welke pathogenen een rol spelen. Uit onderzoek van BAL (long)spoelingen gedaan in de winter van 2018-2019 bleek dat van de 267 BAL-monsters die ingestuurd werden naar MBM lab voor PCR via Hipra, in 22 % van de gevallen het BRSV virus een rol speelt bij de luchtwegproblemen. PI3 werd in slechts 5 % van de BAL monsters aangetoond.

Tijdens de European Bovine Congres 2019 in Den Bosch deelde Colin Lindsay, een gerenommeerd spreker uit het Verenigd Koninkrijk, zijn kennis en ervaringen als practicus over BRD en in het bijzonder BRSV bij kalveren. Hij benadrukte dat uit onderzoek is gebleken dat op de leeftijd van 30-90 dagen de meest voorkomende oorzaak voor uitval een pneumonie is. Het Boviene Respiratoir Synctial Virus (BRSV) speelt een beduidend grote rol bij het ontstaan van luchtwegklachten bij kalveren. Het is één van de belangrijkste virale aandoeningen die pneumonie bij kalveren kan veroorzaken. Infecties worden het vaakst gezien bij kalveren tussen 0 en 6 maanden leeftijd. De morbiditeit van BRSV infecties kan in sommige koppels wel oplopen tot 80 % en de mortaliteit kan bij uitbraken tot 20 % oplopen. Het BRSV virus valt het epitheel van de bovenste luchtwegen aan en kan zich hierin repliceren. Het maakt de integriteit van het epitheel kapot en is zo een sterke predisponerende factor voor bacteriële infecties. Dhr Lindsay benadrukte dat hoewel PI3 in staat is om een klinische infectie te veroorzaken, deze vaak geassocieerd met milde of subklinische infecties. De klinische betekenis van PI3 in het ontstaan van luchtwegproblemen is dan ook zeer klein.

Dhr Lindsay besprak ook de functie van IgA in het kader van BRSV infecties. IgA wordt, in tegenstelling tot IgG, lokaal uitgescheiden in de respiratoire mucosa en speelt dus een belangrijke rol in een juiste afweer tegen het virus. Bij een juiste biestvoorziening beschermen maternale antistoffen het jonge kalf tegen infecties, echter slechts 10% van de biest bestaat uit de benodigde IgA’s. Daarnaast is de halfwaardetijd van IgA met 2,5 dag erg kort. Dit alles resulteert in een onvoldoende en te korte lokale bescherming door IgA, zelfs wanneer door een goede biestvoorziening er een goede systemische bescherming is door de aanwezigheid van een hoge IgG concentratie in het bloed (Butler, 1986).

Maternale antistoffen kunnen interfereren met parenterale vaccinatie, zoals aangetoond in verschillende onderzoeken (Kimman 1989, Ellis 2010, Ellis 2014, Ellis 2017). Aangezien een BRSV infectie vaak bij jonge dieren voorkomt, zal een vaccinatie ook al op jonge leeftijd uit moeten worden gevoerd om voldoende bescherming te bieden. Echter de maternale antistoffen kunnen interfereren met het parenterale vaccin, waardoor de mate van bescherming door het vaccin niet goed voorspeld kan worden.

Om interferentie met maternale antistoffen te voorkomen kunnen er verschillende vaccinatie strategieën worden toegepast. Het makkelijkst is natuurlijk om te wachten tot de maternale antistoffen verdwenen zijn, echter betekent dit dat er pas op latere leeftijd gevaccineerd kan worden en er dus een “immunity gap” optreedt. Het toedienen van een vaccin via de intranasale route voorkomt vaak de interferentie met maternale antistoffen. Bij de keuze van een vaccin is het dan ook van belang om een goede afweging te maken waarbij de leeftijd en immuunstatus van het te vaccineren dier een belangrijke rol spelen. Belangrijk is het om goed op de hoogte te zijn van de eigenschappen van de verschillende vaccins om zo per bedrijf de juiste keuze te maken.

Bronnen:

  • Butler JE. Biochemistry and biology of ruminant immunoglobulins. Prog. Vet. Microbiol. Immunol., 2 (1986), pp. 1-53
  • Ellis JA, Gow SP, Goji N. Response to experimentally induced infection with bovine respiratory syncytial virus following intranasal vaccination of seropositive and seronegative calves. J Am Vet Med Assoc 2010;236:991–999.
  • Ellis J, Gow S, Bolton M, et al. Inhibition of priming for bovine respiratory syncytial virus-specific protective immune responses following parenteral vaccination of passively immune calves. Can Vet J 2014;55:1180–1185.
  • Ellis JA. How efficacious are vaccines against bovine respiratory syncytial virus in cattle? Veterinary Microbiology 2017;206:59–68.
  • Kimman TG, Westenbrink F, Straver PJ. Priming for local and systemic antibody memory responses to bovine respiratory syncytial virus: effect of amount of virus, virus replication, route of administration and maternal antibodies. Veterinary Immunology and Immunopathology 1989;22:145–160.
Alle berichten van Hipra op Veearts.nl >>