Partnerbericht van IDT

De ene E. coli is de andere niet

E. coli bacteriën komen in grote hoeveelheden voor in de darm, zowel a-pathogene als pathogene typen E. coli. Pathogene E. coli’s beschikken over virulentiefactoren. Dit kunnen zowel aanhechtingsfactoren als toxinen zijn.

De aanhechtingsfactoren betreft meestal de fimbriae (F). Veelvoorkomende fimbriae zijn F4, F5, F6, F18, F41 en F1C, maar ook P- en S-fimbriae. Daarnaast bestaan nog andere aanhechtingsfactoren zoals intimin en AIDA (adhesin involved in diffuse adherence). De toxinen betreffen hittelabiele en –stabiele toxinen (LT, STIp en STII), EAST-1 (enteroaggregrative heatstable enterotoxin), α-hemolysine, shiga- of verotoxine (Stx2e of VT2e) en de ‘cytotoxic necrotizing factor (CNF)’.

Op basis van de ziekte beelden die de E. coli veroorzaakt wordt diverse namen gegeven. Zo zijn er de enterotoxische E. coli’s, de ETEC. Deze E. coli’s hechten aan de darmwand door fimbriae van het type F4, F5 of F18 en produceren toxinen (STIP, STII of LT) die vochtverlies een daarmee diarree veroorzaken. ETEC spelen een rol bij geboortediarree en speendiarree. Daarnaast zijn er de STEC of EDEC, de E. coli’s die shiga-toxine produceren en oedeemziekte / slingerziekte veroorzaken. STEC staat voor shiga-toxine producerende E. coli en EDEC staat voor ‘edema disease E. coli’.  In diarreemonsters is het daarom belangrijk om aan te tonen dat een E. coli de nodige aanhechtingsfactoren bezit en dat toxinen gevormd kunnen worden. Kortom, dat sprake is van een ETEC. In geval van oedeemziekte / slingerziekte is het noodzakelijk om aan te tonen dat de E. coli het shiga-toxine kan produceren en er dus sprake is van een STEC.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met:

Alle berichten van IDT op Veearts.nl >>