Partnerbericht van Hipra

Mycoplasma hyopneumoniae infectiedynamieken op varkensbedrijven: wat is de rol van de zeugenstapel?

Door: Annelies Michiels, varkensdierenarts HIPRA

Mycoplasma hyopneumoniae (M.hyopneumoniae) is veroorzaker van de zogenaamde “stalhoest”. Kenmerkend hierbij is de droge, niet productieve aard van de slepende hoest die veelal optreedt in de vleesvarkensfase. Omdat dit ook gepaard gaat met een verminderde groei is vaccinatie van biggen tegen deze aandoening bijna een routinebehandeling. Vaccinatie zorgt ervoor dat de spreiding van de kiem wordt afgeremd, dieren minder hoesten en er minder longletsels zijn aan de slachtlijn. Daarnaast vermindert ook het antibioticaverbruik op een bedrijf. Enerzijds omdat er minder tegen de kiem zelf dient te worden behandeld maar evengoed omdat ook andere ziekteveroorzakers moeilijker aanslaan wanneer M.hyopneumoniae minder schade aanricht in de luchtwegen. De kiem zorgt er namelijk in eerste instantie voor dat de trilharen, die een soort transportband vormen vanaf de longen naar de luchtpijp voor de afvoer van ongewenste kiemen, worden vernietigd. In een latere fase zorgt de infectie er ook voor dat de cellen die instaan voor de afweer in de longen, minder functioneel zijn.

De biggen zijn van oudsher de focus voor de preventieve aanpak van M.hyopneumoniae, zo getuige de talloze uiteenlopende vaccinatiestrategieën toegepast in het veld. Initieel beschikte men enkel over two-shot vaccins; een dubbele enting op 1 en 7 weken, 4 en 7 weken leeftijd of later. Tegenwoordig wordt veelal een one-shot vaccin gebruikt. Deze kan ingezet worden in de eerste levensweek maar evengoed rond speenleeftijd of later naargelang wanneer de symptomen zich voordoen. Insteek is telkens om de varkens bescherming te bieden net voor ze met de kiem in contact komen. Bij de keuze van de vaccinatiestrategie dienen per bedrijf een aantal factoren in overweging te worden genomen. Is er neutralisatie van het vaccin door de passieve immuniteit die de big kon opnemen via de biest? Zal mijn bescherming voldoen tot het einde van de vleesvarkensfase? En welke aanpak past het best arbeidstechnisch?

(Eerste twee zinnen niet gemakkelijk leesbaar!)Opvallend is dat er naar de rol van de zeug in de preventieve aanpak minder aandacht gaat. De impact hiervan op een gesloten bedrijf is echter niet te onderschatten, vanwege van een aantal karakteristieken van de kiem.
– M.hyopneumoniae kan enkel overgaan van dier op dier via infectie van de luchtwegen, ofwel door direct neus-neus contact (van zeug naar big, tussen toom-, tussen hokgenoten) ofwel via de lucht.
– Daarnaast kent de onderlinge spreiding een langzaam verloop. Zo werd aangetoond dat ongeveer 20% van de gelten nog negatief zijn op het moment van de eerste worp, ook wanneer ze in een positieve stapel terecht komen.
– In tegenstelling tot aandoeningen zoals APP, zijn er voor M.hyopneumoniae geen dragerdieren. De uitscheiding van de kiem kan echter wel van lange duur zijn, tot meer dan 7 maanden onder experimentele omstandigheden.
– De mate waarin biggen geïnfecteerd worden in het kraamhok is sterk gecorreleerd met de mate van uitscheiding door de zeug. Meestal is de besmettingskans van de biggen lager naarmate de zeugen ouder zijn.
– Hoe minder biggen geïnfecteerd zijn op het moment van spenen, hoe lager de impact van de ziekte in het verdere verloop tot de slachtlijn.

Hoe het met de status van een zeugenstapel is gesteld, is goed in kaart te brengen met een serumprofiel. Hierbij worden antistoffen in het bloed opgespoord bij meerdere dieren van verschillende pariteiten. Deze worden opgepikt 5 tot 6 weken na een infectie. Een stabiele zeugenstapel wordt gekenmerkt door ofwel volledige afwezigheid van antistoffen (zelden tot nooit het geval) ofwel gemiddeld dalende antistoffen met toenemende pariteit. Wanneer er regelmatig herinfecties optreden in de zeugenstapel zal men zien dat ook de multipare dieren nog over hoge titers beschikken (is echter niet zo te interpreteren wanneer er wordt gevaccineerd in de zeugenstapel). Oorzaken hiervan zijn vaak te zoeken in fouten bij het gelten management of een hoge infectiedruk vanuit de vleesvarkensstapel. Fouten kunnen onder meer zijn inbreng van naïeve gelten in een positieve stapel of inbreng van uitscheidende gelten in een stabiele zeugenstapel. Tussen 2015 en 2020 voerde HIPRA samen met de praktijkdierenartsen een 151 dergelijke profielen uit om een beeld te krijgen van de meest voorkomende infectiedynamieken op Vlaamse varkensbedrijven waarbij ook werd gekeken naar de impact van de zeugenstapel.

Van de beoordeelbare profielen vertoonden 57% een stabiele zeugenpopulatie, wat wil zeggen dat 43% van de profielen een populatie zeugen vertoonde die onstabiel was voor M.hyopneumoniae. Op het niveau van de biggenbatterij werd slechts in 8% van de profielen infecties aangetoond in die leeftijdscategorie. Een bevestiging aldus dat M.hyopneumoniae nog steeds hoofdzakelijk een aandoening is die de vleesvarkens treft.

Gemiddeld gezien trad seroconversie op de leeftijd van 16,3 weken oud. Aan de hand hiervan kan het gemiddeld geschat infectietijdstip van M. hyopneumoniae over alle profielen berekend worden door van deze voorgaande parameter 6 weken af te trekken. Dit gemiddeld geschat infectiemoment ligt op 10,3 weken, dus wanneer de biggen overgaan van de batterij naar de vleesvarkensafdeling. In 54% van de gevallen vond infectie plaats na de leeftijd van 10 weken, in 32% op de batterij en in 14% voor de leeftijd van 5 w (naar alle waarschijnlijkheid in het kraamhok). Wanneer specifieker werd gekeken naar het infectiemoment in relatie tot de status van de zeugen viel op dat bij vroege infecties van de biggen, 56% van de zeugenstapels niet stabiel was tegenover 25% en 36% bij infecties in de batterij en de vleesvarkensstal respectievelijk.

Aan de hand van deze opvolging kan men besluiten dat gemiddeld gezien het infectietijdstip voor M.hyopneumoniae op Vlaamse varkensbedrijven ligt op de overgang van batterij naar vleesvarkensafdeling. Daarnaast blijkt een onstabiele zeugenstapel een predisponerende factor voor infecties van de biggen op vroege leeftijd, redenen om ook aan deze diercategorie in de preventieve aanpak de nodige aandacht te besteden. Om een totaalstrategie tegen M.hyopneumoniae op te stellen is het belangrijk dat er voor uw bedrijf samen met de bedrijfsdierenarts bekeken wordt wanneer het ideale tijdstip is voor enting van de biggen, én dat de zeugenstapel stabiel wordt bevonden!

Voor meer informatie over vaccineren neem contact op met een van onze varkensdierenartsen; Maartje Wilhelm +31 6 8264 5058, Herman Prüst +31 6 1431 0007 of Theo Vercammen + 31 6 3024 9632

Alle berichten van Hipra op Veearts.nl