Partnerbericht van Hipra

Vaccin helpt S. aureus bestrijding

Mastitis

Van de productiestoornissen bij melkvee is mastitis verantwoordelijk voor de grootste door ziekte geleden economische schade omdat de ziekte zo algemeen voorkomt (Volling et al. 2005; Halasa et al. 2009). Daarnaast wordt het grootste deel van het antibioticagebruik op veehouderijen door deze infectie veroorzaakt. Zoals met alle infecties treedt mastitis op wanneer koeien met een verzwakte homeostase (toestand van fysiologisch evenwicht) in contact komen met pathogenen. Doorgaans dringen de pathogenen via het tepelkanaal de uier binnen en koloniseren ze verschillende delen van het parenchym. Omdat veel verschillende pathogenen een infectie kunnen veroorzaken en omdat er veel verschillende oorzaken van een verzwakte homeostase bestaan, varieert de situatie ten aanzien van mastitis sterk van bedrijf tot bedrjif. Melkveehouders ervaren de toenemende mastitisproblemen op verschillende manieren en classificeren deze daarom in verschillende categorieën die op zichzelf of in combinatie met andere kunnen optreden. In veel landen zijn uierinfecties met Staphylococcus (S. aureus) nog altijd de hoofdoorzaak van mastitisproblemen, met name bij problemen met een langdurig verhoogd tankmelkcelgetal en lage melkopbrengsten als gevolg van een hoog aantal chronische gevallen en/of te veel niet-geleverde melk.

Om een mastitisprobleem aan te pakken is een bedrijfsspecifieke aanpak vereist. Hoewel het gebruikelijk is om mastitis te bestrijden door subklinisch of klinisch zieke dieren te behandelen (of door de nodige voorbereidingen te treffen) en maatregelen te nemen om het aantal nieuwe infecties te verminderen, helpt een meer holistische benadering bij het in gang zetten van een echte verandering in de gezondheidssituatie van uiers op het bedrijf, met name gezien de economische situatie van een groot aantal bedrijven. Omdat het moeilijk is om S. aureus op het bedrijf volledig uit te roeien en dieren langdurig onbesmet te houden, is het streefdoel om de prevalentie van infecties met S. aureus te verlagen tot een percentage < 5% besmette dieren. Deze doelwaarde is vastgesteld op basis van de bij melkveehouderijen verzamelde gegevens, die overeenkomen met de top 5% van Noord-Duitse kudden met het laagste tankmelkcelgetal (Volling, 2011).

Doorgaans wordt de gezondheid van uiers gedefinieerd aan de hand van de aanwezigheid of afwezigheid van pathogene bacteriën en een verhoogd celgetal, hoewel de drempelwaarde varieert tussen verschillende auteurs en melkfracties (DVG, 2002; Bradley en Green, 2006).

Het aantal somatische cellen per ml melk kan duiden op flogistische veranderingen. Bij 100.000 cellen/ml melk is de gebruikelijke cellulaire immuunrespons al aan het overgaan naar een ontstekingsreactie (DVG, 2002). Afzonderlijke celgetallen en pathogenen worden per kwartier geanalyseerd. De volgende variabelen worden echter gebruikt om de gezondheid van uiers in groepen koeien of kudden te beschrijven, voornamelijk op basis van een drempelwaarde van 100.000 cellen/ml uit een samengesteld monster van een koe die als “gezond dier” wordt omschreven. Voor kudden met door S. aureus veroorzaakte problemen zijn met name het percentage gezonde dieren en het percentage ongeneeslijke dieren van belang. Het percentage lacterende, gezonde dieren geeft een indicatie van het percentage koeien met vermoedelijk gezonde uiers. De term “ongeneeslijke dieren” verwijst naar de koeien die herhaaldelijk minstens drie keer een celgehalte hoger dan 700.000 cellen/ml vertonen per samengesteld monster van de koe. Het aantal koeien in deze toestand moet worden beheerst en mag niet hoger dan 2% worden (Østerås, 2006).

Infectiekiem S. aureus

Het voornaamste reservoir voor S. aureus als pathogeen bij koeien is de besmette uier. Infecties worden tijdens het melken tussen koeien of tussen kwartieren verspreid door besmette melkuitrusting, handen van melkers of doeken die worden gebruikt voor het wassen, reinigen of drogen van meer dan één koe. Andere gangbare reservoirs zijn wonden aan of nabij de tepel (bv. necrotische dermatitis).  S. aureus heeft verschillende virulentiefactoren waardoor de kiem intracellulair kan overleven, zich in het uierweefsel kan verspreiden of biofilms kan produceren. Dit leidt tot langdurige infecties die tijdens de huidige lactatie en tijdens volgende lactaties kunnen aanhouden.

S. aureus-mastitisbestrijding

Als mastitis als een probleem wordt beschouwd en er is sprake van afwijkende kengetallen, dan dienen gebundelde acties ter verbetering van de uiergezondheid te worden ondernomen. Dodd (1981) heeft aangetoond dat de prevalentie van mastitis (P) het product is van de duur van ontsteking (D) en het nieuwe incidentiepercentage (NIR) (P = D x NIR), uitgedrukt als percentage van de tijd (duur) of van de koeien (NIR). Uit deze vergelijking is op te maken dat er twee mogelijke benaderingen zijn om de prevalentie van de ziekte te verlagen. Enerzijds kan de duur (D) worden verkort door middel van selectie of behandeling en anderzijds kan het incidentiepercentage (NIR) worden verlaagd door de omgeving te verbeteren en daarmee het negatieve effect van risicofactoren weg te nemen of te verminderen. De risicofactoren met betrekking tot S. aureus op het betreffende bedrijf moeten dus worden vastgesteld, geminimaliseerd en gecontroleerd door standaard procedures toe te passen. Om intramammaire infecties met S. aureus te voorkomen, is het nodig om de overdracht tussen koeien te beperken en het aantal besmette koeien in de kudde te minimaliseren. Om de verspreiding van S. aureus te vermijden, is een strict hygiëneprogramma nodig. Hiertoe behoren een goede melkhygiëne (bv. melkhandschoenen, tijdige vervanging van speenvoeringen, controle van de melkmachine, dippen met een toegelaten desinfectie- en huidverzorgingspreparaat, desinfectie van melkstellen), de preventie van letsel aan tepels en naburige weefsels, en vliegenbestrijding in de zomermaanden. Besmette koeien moeten van de gezonde kudde worden gescheiden en als laatste worden gemolken (om besmetting door het melken te vermijden). Koeien met duidelijke weefselveranderingen en een geringe kans op genezing door behandeling moeten van de andere worden gescheiden en op middellange termijn worden vervangen.

Vaccin

Naast de verzorging en voeding van de koeien kan het gebruik van een specifiek vaccin een betere algemene immuunrespons tegen S. aureus opleveren. De resultaten van de verschillende vaccins die in de afgelopen jaren zijn ontwikkeld, zijn minder klinische mastitis en een hoger percentage spontane genezingen. Het nieuwe beschikbare vaccin van HIPRA tegen S. aureus bleek een positieve invloed te hebben op het celgetal en het genezingspercentagevan met S. aureus besmette dieren. Dit is een nieuw hulpmiddel voor de bestrijding van S. aureus op melkveebedrijven.

Alle berichten van Hipra op Veearts.nl >>