Een nieuwe ziekte in Europa: Chronic Wasting Disease

In Noorwegen is een rendier besmet bevonden met het Chronic Wasting Disease (CWD). De introductie van deze, voor Europese begrippen, nieuwe ziekte roept veel vragen op. Wat is dit voor ziekte en moeten we bang zijn voor onze veestapel als CWD ook in Nederland de kop opsteekt?

Door Nannet Fabri, faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Utrecht, in vakblad Veehouder en Veearts.

BSE (boviene spongiforme encefalo­pathie oftewel gekkekoeienziekte) bij koeien en scrapie bij schapen zijn ziektes die de meesten wel bekend voorkomen. Naast het feit dat we absoluut niet willen dat onze dieren deze ziektes krijgen, hebben deze ziektes één ding gemeen: beide zijn prionziekten. Door actieve genetische selectie worden steeds meer schapenbedrijven scrapie-vrij en ook BSE komt steeds minder voor (laatste geval was in 2011). Maar af­gelopen voorjaar dook er een andere prion­ziekte op in Europa: in Noorwegen is een rendier gevonden met CWD.

Verspreiding van CWD

CWD is een ziekte die tot voor kort alleen in Noord-Amerika voorkwam. Sinds de jaren zestig wordt CWD gezien bij muildierherten (Odocoileus hemionus), witstaartherten (O. virginianus), wapiti’s (Cervus­ elaphus nelsoni) en Yellowstone-elanden (Alces alces shirasif). De geografische verspreiding van de ziekte omvatte eind oktober 2016 21 staten van de VS en twee Canadese staten, waarbij het aantal geïnfecteerde dieren al in de meerdere procenten loopt en er sprake is van een endemische situatie. Alle maatregelen om de ziekte onder controle te krijgen, hebben tot nu toe gefaald. De ziekte komt voor bij in het wild levende herten, maar ook bij herten die in gevangenschap worden gehouden. Sinds de gevallen in Noord-Amerika is er grote angst dat de ziekte zich verspreid naar andere continenten. Het voorkomen van introductie lijkt de enige mogelijkheid tot beheersing. In Europa zijn tot afgelopen voorjaar nooit gevallen van CWD gevonden. Maar in maart 2016 is in Noorwegen een gestorven rendier aangetroffen met CWD. Sindsdien is de ziekte in Noor­wegen vier keer vastgesteld, zowel in rendieren als in elanden.

De ziekte CWD bij de herten dankt zijn naam aan een van de symptomen die het opvallendst is, namelijk het gewichts­verlies. Hoewel de dieren nog voldoende eten, krijgen ze enorm ingevallen flanken en zal ook de vacht niet meer mooi zijn. Daarnaast worden gedragsveranderingen, meer drinken, slijmen uit de bek en vaker urineren waargenomen. Ook coördinatieproblemen met een ongecontroleerde gang met hangende kop en oren wordt gezien. De prognose is erg slecht. Binnen een aantal maanden na de eerste symptomen zullen de dieren sterven. Bij het toenemen van de klinische verschijnselen neemt de ­infectieusiteit van het dier evenredig toe.

De prionen zijn aanwezig in het hersen- en zenuwweefsel, maar ook in de tonsillen, de lymfeknopen die boven de keel liggen, het mondslijm en in het bloed. De diagnose wordt gesteld met behulp van immuno­histochemische aankleuring van de CWD-prionen en met Western immunoblot of antigene Elisa-technieken.

Hoe CWD zich precies verspreidt, is nog niet helemaal duidelijk. Wel is bekend dat de besmetting niet via het eten van besmet (hersen)materiaal plaatsvindt, in tegenstelling tot BSE. Een geïnfecteerd dier scheidt de prionen uit via de urine of mest. Een besmetting vanuit het milieu lijkt het meest waarschijnlijk, maar in een challenge-studie waren herten na herhaald contact met besmette urine en mest na 18 maanden nog niet aantoonbaar besmet.

Ook karkassen van dode dieren kunnen nog een bron van infectie zijn, maar de over­dracht van karkas naar dier blijft onduidelijk. De aanwezigheid van prionen in het bloed voedt ook de discussie dat de ziekte kan worden overgedragen via bloed­drinkende insecten. Verder kan een moeder­dier tijdens de dracht de ziekte overdragen aan haar kalf via de placenta. Er zijn nog veel vragen met betrekking tot de verspreiding.

Hoe kwam de ziekte in Europa?

Het feit dat de ziekte via het milieu of direct contact kan worden overgedragen baart zorgen. Zowel in Noorwegen, waar de ziekte nu is gevonden, als in andere Europese landen, die tot op heden nog CWD-vrij zijn. Hertachtigen leven vaak in grote groepen dicht bij elkaar. De ziekte zou zich makkelijk kunnen verspreiden in een kudde. Daarnaast legt de wilde populatie herten vaak grote afstanden af om voedsel te vinden. In Noorwegen bijvoor­beeld zijn er kuddes rendieren die jaarlijks meer dan 4.000 kilometer lopen om in lager gelegen gebieden te kunnen overwinteren. Dergelijke trektochten kunnen­ eraan bijdragen dat CWD zich snel door het land en naar andere landen verspreidt. In Nederland moeten we bevreesd zijn voor een infectie van de wilde autochtone herten­populatie, maar zeker ook van een infectie bij herten­boerderijen.

Gevaar voor mens en dier?

Waar veel mensen zich nu mee bezig houden, is de vraag of de ziekte ook gevaarlijk is voor de mens en de veestapel in Nederland. Tot op heden zijn er nog geen mensen met CWD besmet geraakt. Ook lijkt het erop dat dieren die niet tot de hert­achtigen behoren, niet op natuurlijke wijze geïnfecteerd kunnen raken. In een onderzoek in de Verenigde Staten zijn geïnfecteerde herten ruim 13 jaar lang samen met koeien gehouden. Geen van deze koeien raakte besmet. Vooralsnog wordt verondersteld dat CWD alleen bij hertachtigen kan voorkomen. Maar er wordt nog volop onderzoek naar gedaan, en daarom moet er voorzichtig met deze ziekte om worden gegaan. Afgeraden wordt dan ook het vlees van besmette dieren op te eten.

Voor herten in Nederland is de ziekte dus wel gevaarlijk. Het houden van herten is in Nederland, in tegenstelling tot de Verenigde Staten, geen grote tak in de veeteelt. Nederland telt 20 tot 25 hertenbedrijven met gemiddeld 40 tot 50 dieren. Toch kan een introductie van CWD desastreuze gevolgen hebben voor onze hertenpopulatie, zowel op de boerderijen als in het wild. Een medicijn of vaccin tegen CWD is er niet en het zal ontzettend moeilijk zijn om de ziekte weer kwijt te raken. De prionen kunnen namelijk zeer lang infectieus blijven in het milieu en zijn relatief ongevoelig voor hitte en uitdroging. Maatregelen om de introductie van de ziekte te voorkomen zijn daarom erg belangrijk. Er wordt af­geraden om dieren uit besmette gebieden te importeren. Er zijn zelfs landen die deze import hebben verboden, omdat het moeilijk is om de infectie in een vroeg stadium bij het levende dier vast te stellen.

Deel dit bericht via:
Facebook Twitter LinkedIn Email
Door: Jasper Lentz
Mis geen artikel. Ontvang de tweewekelijkse nieuwsbrief.
E-mail: